zaterdag 6 oktober 2018

Over amateurschrijvers en onzekerheden

Vandaag wil ik stoppen met schrijven.

Van mezelf moet ik wekelijks een column publiceren, omdat het goed is om als amateurauteur kilometers te maken. Dat niet elke column fantastisch kan zijn, heb ik begrepen. Dat ik niet over elke column tevreden kan zijn, heb ik geaccepteerd. Het gaat om de oefening.

Waar ik meer moeite mee heb, is proza. Fictie is mijn eerste en grootste liefde. Ik kan verdwijnen in boeken, gelukkig worden van boeken en me een week beroerd voelen van boeken. Het is niet gek dat ik zelf verhalen schrijf, ik las laatst dat we de gewoonte hebben om de mensen van wie we houden na te doen. Waarom zou dat niet ook voor voorwerpen gelden?

Schrijven op zich is niet het probleem. Ik heb ideeën genoeg, ik heb een laptop, ik maak tijd. De problemen komen pas als alleen schrijven niet meer genoeg is. Op mijn zeventiende won ik voor het eerst een prijs bij een schrijfwedstrijd. Voor mij was dat de bevestiging dat ik iets kon. Fantastisch en verschrikkelijk tegelijk, want na dat moment zou het steeds moeilijker worden om tevreden te zijn met alleen schrijven.

Eén van de meest gelukkige momenten is wanneer je ontdekt dat je een talent hebt, dat je ergens beter in bent dan je directe omgeving, dat je iets kunt wat je gelukkig maakt. Beter dan dat wordt het niet meer. Na het winnen van mijn eerste prijs ontmoette ik andere jonge schrijvende mensen met hetzelfde ‘talent’ dat ik dacht te hebben. Niet vijf, niet tien, niet twintig, ik denk dat ik minstens vijftig namen ken van mensen met dezelfde ambities als ik. Concurrentie.

Concurrentie is voor mij het verschrikkelijke gedeelte. Als ik merk dat ik moet opvallen, vallen mijn vingers stil. Geen enkele zin is goed genoeg. Ik krijg hoofdpijn. Het plezier maakt plaats voor een haast Instagramachtige manier van mezelf vergelijken met de concurrentie. Bij anderen lijkt het zo makkelijk te gaan. Ik ben drieëntwintig, bijna vierentwintig. Ben ik nog een talent? Als ik echt zo goed was, had ik dan niet al een boek moeten publiceren? Als ik echt wat kon, had ik dan niet veel minder moeite moeten hebben met het schrijven van zo’n kreng? Wie ben ik eigenlijk, dat ik zo nodig mee moet doen aan schrijfwedstrijden? Dat ik verhalen moet schrijven en ooit misschien een boek? Waarom zou iemand iets lezen wat ik heb geschreven?

Er is nog iets wat steekt. Een andere groep amateurschrijvers. Ze voegen me toe op Facebook, plaatsen hun werk in alle schrijversgroepen die ze kunnen vinden en benaderen me privé of ik hun auteurspagina wil liken. Dat zijn degenen die hun teksten in eigen beheer publiceren, degenen die niet de route van schrijfwedstrijden, literaire platforms en reguliere uitgeverijen willen afleggen. Degenen met zelfvertrouwen, degenen die boos worden als ze zichzelf in deze tekst herkennen en beseffen dat ik hen ‘amateurschrijvers’ noem. Deze mensen zorgen ervoor dat de term ‘schrijver’ niet meer iets is wat je verdient na kilometers maken, talent laten groeien en tientallen afwijzingen incasseren. Schrijver worden is niet langer iets om naar te verlangen, iets om van te dromen, want het is altijd binnen handbereik.

Vandaag wil ik stoppen met schrijven. Ik wil stoppen met hopen dat ik ooit schrijver word, bang dat ik teleurgesteld zal zijn als ik het eenmaal ben, omdat die term alle waarde heeft verloren.

Tot ik het document van een verhaal open, de laatst geschreven regels herlees en besef wat er in de volgende scène moet gebeuren. Mijn vingers jeuken, mijn handen vliegen over het toetsenbord, mijn thee wordt koud. Concurrentie bestaat niet meer, zorgen over schrijver worden bestaan niet meer. Het enige wat er bestaat, zijn de zinnen in mijn document, goede zinnen, perfecte zinnen, zinnen zoals ik ze al dagen op papier probeer te krijgen. Zelfs nadat het moment weg is en ik weer enigszins gefrustreerd raak door een nieuwe melding van Facebook, blijft die lichte opwinding, dat kinderlijke enthousiasme, hangen in mijn borstkas.

Natuurlijk kan ik nooit stoppen met schrijven.



2 opmerkingen: