zaterdag 6 oktober 2018

Over amateurschrijvers en onzekerheden

Vandaag wil ik stoppen met schrijven.

Van mezelf moet ik wekelijks een column publiceren, omdat het goed is om als amateurauteur kilometers te maken. Dat niet elke column fantastisch kan zijn, heb ik begrepen. Dat ik niet over elke column tevreden kan zijn, heb ik geaccepteerd. Het gaat om de oefening.

Waar ik meer moeite mee heb, is proza. Fictie is mijn eerste en grootste liefde. Ik kan verdwijnen in boeken, gelukkig worden van boeken en me een week beroerd voelen van boeken. Het is niet gek dat ik zelf verhalen schrijf, ik las laatst dat we de gewoonte hebben om de mensen van wie we houden na te doen. Waarom zou dat niet ook voor voorwerpen gelden?

Schrijven op zich is niet het probleem. Ik heb ideeën genoeg, ik heb een laptop, ik maak tijd. De problemen komen pas als alleen schrijven niet meer genoeg is. Op mijn zeventiende won ik voor het eerst een prijs bij een schrijfwedstrijd. Voor mij was dat de bevestiging dat ik iets kon. Fantastisch en verschrikkelijk tegelijk, want na dat moment zou het steeds moeilijker worden om tevreden te zijn met alleen schrijven.

Eén van de meest gelukkige momenten is wanneer je ontdekt dat je een talent hebt, dat je ergens beter in bent dan je directe omgeving, dat je iets kunt wat je gelukkig maakt. Beter dan dat wordt het niet meer. Na het winnen van mijn eerste prijs ontmoette ik andere jonge schrijvende mensen met hetzelfde ‘talent’ dat ik dacht te hebben. Niet vijf, niet tien, niet twintig, ik denk dat ik minstens vijftig namen ken van mensen met dezelfde ambities als ik. Concurrentie.