zondag 30 september 2018

Een vorm van geluk

Het is avond. Met een veel te zware tas in mijn handen loop ik van de bushalte naar huis. Voordat ik de straat oversteek, hoor ik geblaf. Bekend geblaf. Ik versnel mijn pas. Als ik dichterbij kom, zie ik Bonny voor het raam, twee poten op de vensterbank, haar neus tegen het glas gedrukt. Nog voordat ik de voordeur achter me heb dichtgedaan gooit ze haar lichaam tegen me aan als een kat die kopjes geeft. Ik smijt de tas aan de kant, laat me op mijn knieƫn zakken. Ze legt haar kop op mijn schouder en ik aai haar, tot mijn hand over de tumor glijdt.

Twaalf en een half jaar oud is ze nu. Sinds een paar maanden heeft ze kwaadaardige tumoren, allemaal op gunstige plekken, ze groeien minder snel dan verwacht. In februari dacht ik niet dat ze in september nog zou leven. Ik dacht niet dat ze de e-reader van mijn schoot zou duwen omdat ze vond dat ik meer aandacht had voor het boek dan voor haar, dat ze mijn vliegticket te pakken zou krijgen en het zou verscheuren, dat ze krassen op de vensterbank zou maken omdat ze mij door de straat zag sjokken. Haar begroeting zou een cadeautje moeten zijn, dat ze me de hele avond volgt en uiteindelijk op mijn voeten gaat liggen om te voorkomen dat ik naar bed ga een vorm van geluk.

Maar in plaats daarvan voel ik leegte, een voorproefje van dat afschuwelijke gat met rafelige randen dat eerst doorzichtig en zwevend was, als een geestverschijning, en steeds zichtbaarder wordt, zo zichtbaar dat ik het bijna kan aanraken. Er komt een dag, niet heel ver weg van nu, waarop ik mezelf met een zware tas van de bushalte naar huis sleep en geen geblaf hoor. Waarop ik de deur openmaak en niet omver word geduwd door een hond die me wil knuffelen. Waarop ik vlak voordat ik naar bed ga ontdek dat ik koude voeten heb, dat mijn vriendin met haar warme vacht niet bij me ligt.

Natuurlijk weet ik dat het leven eigenlijk niet meer is dan een wandeling naar de dood – je kunt het rekken, je kunt op een bankje gaan zitten, even pauzeren, maar je moet altijd weer opstaan en doorlopen. Tussendoor probeer je te genieten van het uitzicht en hoop je dat je anderen tegenkomt die een praatje willen maken. Maar honden zijn zo goed in wandelen, veel beter dan mensen, dat is oneerlijk is dat ze niet een langer stuk met ons mee kunnen lopen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten