zondag 27 november 2016

Angst

Na mijn vorige blog over tandartsangst kreeg ik veel reacties. Lieve mailtjes en berichten op social media van onbekenden, en onbegrip van sommige bekenden. Dat laatste begrijp ik wel, echt waar. Angst is iets irrationeels en ik ben een heel rationeel persoon. Dat gaat niet samen. Maar angst is niet iets waar je voor kiest, angst is iets wat je overkomt.

Als ik over mijn tandartsangst probeer te praten, neemt degene die luistert meteen aan dat ik dan wel bang voor de verdovingsprik zal zijn. Dat ik bang ben omdat het pijn kan doen.
Maar het is niet de prik. Het is niet de pijn. Was het dat maar.

Ik ben bang geworden doordat de meest afschuwelijke teringteef op deze planeet een gaatje in mijn tand vulde. Ze verdoofde me, dat wel, maar ze gaf de verdoving geen kans om in te trekken, waardoor ik alles voelde. Dat was op zich niet zo’n ramp, ware het niet dat ik aangaf dat ik wilde dat ze stopte.

Ze stopte niet.

Integendeel, ze vertelde dat het aan mij lag dat de verdoving niet goed werkte en ze zei dat ze nog een minuutje nodig had.

Het duurde geen minuutje. En toen ik mijn hand opstak omdat ik echt wilde dat ze stopte, negeerde ze die.

Op het moment dat je een boor in je mond hebt, een boor die van alles kan beschadigen, kan je niet opstaan en weglopen. Je kunt die teringteef die boven je hangt niet in haar gezicht slaan. Je kunt jezelf niet verdedigen. Kortom: je bent volslagen machteloos.

Dát is de kern van mijn angst: die machteloosheid. Ik raak in paniek omdat ik in een stoel lig en omdat ik niet weg kan, omdat ik volkomen afhankelijk ben van iemand die ik niet vertrouw. Bij een verdoving ben ik doodsbang dat hij niet werkt, dat het aan mij ligt dat hij niet werkt, ook al verdooft mijn tandarts me altijd zo goed dat zelfs mijn neusvleugel, oor en ooglid gevoelloos worden. Ik wil zíén wat er in mijn mond gebeurt, ik zou eigenlijk via een scherm mee willen kijken. Als dat kon, zou ik al iets relaxter in die stoel zitten, want dan had ik een (vals) gevoel van controle.

Ik ben als tiener jarenlang niet naar de tandarts geweest. Toen ik weer ging (het moest, ik had een gaatje dat inmiddels heel groot was geworden en waardoor ik niet meer kon eten), had ik de eerste jaren spierpijn als ik was geweest. Niet alleen in mijn kaken, in mijn hele lichaam, van mijn hals tot aan mijn tenen, zo erg spande ik mijn spieren aan als ik in de stoel lag.

Maar de angst is niet alleen aanwezig tijdens een tandartsbezoek. Ik ga opzettelijk eens per jaar naar de tandarts in plaats van twee keer per jaar. Het is er zo druk dat je drie maanden na je bezoek een kaartje in de brievenbus krijgt met de vriendelijke herinnering dat je een afspraak voor over drie maanden moet maken. Als je belt, kan je nooit binnen een of twee weken terecht. Je moet wachten. En dat wachten is nog het allerergste.

Mijn situatie nu is extreem: ik heb één verstandskies die half door is, maar die het verrekt om verder te groeien. Hij is al twee keer ontstoken geweest, gelukkig heb ik het beide keren met een spoelmiddel kunnen oplossen. Hij zit in mijn onderkaak, rechts. Aan de linkerkant is mijn tandvlees even hoog als de kies ernaast en er zit iets hards onder: mijn tweede verstandskies. De kans is heel groot dat mijn tandarts me gaat doorverwijzen naar de kaakchirurg om ze weg te laten snijden.

Op 5 december moet ik naar de tandarts voor het afmaken van de zenuwbehandeling en een gewone controle. De eerste twee weken na de ontdekking van mijn eerste verstandskies waren verschrikkelijk. Elke trigger (een tandpastareclame op tv, een gesprek in de trein over tanden, een stukje tandenstoker dat in mijn eigen tandvlees bleef haken) was genoeg voor een huilbui. Ik huil oprecht nooit (tenzij er ergens een dier doodgaat, daar kan ik niet tegen). ’s Nachts had ik nachtmerries die ik niet ga beschrijven.

Een paar dagen na mijn blog over die verstandskies, kreeg ik mijn eerste paniekaanval ooit. Een vriendin probeerde me ‘gerust te stellen’ door me via whatsapp te vertellen dat ik bij de kaakchirurg een soort doek over mijn gezicht zou krijgen en dat ik dus niets zou kunnen zien.

Nou ja, goed, bij iemand met mijn angst levert dat een interessant effect op.

Ik zat op de grond van mijn kamer, met mijn rug tegen mijn kledingkast, en ik kreeg geen lucht. Ik kon niet om hulp roepen, ik kon nauwelijks bewegen, ik was oprecht bang dat ik zou stikken. Het duurde gelukkig niet langer dan een paar minuten, maar het voelde langer.

Het beheerste mijn leven, mijn studies, mijn humeur, mijn eetlust en mijn nachtrust. Het was obsessief. Elke keer als ik langs een spiegel liep, móést ik in mijn mond kijken. Was die verstandskies al gegroeid? Hij móést groeien, anders zou hij er sowieso uitmoeten, ik móést genoeg ruimte in mijn mond hebben. Als ik vond dat hij niet was gegroeid (en hij groeit niet, dus dat was eigenlijk elke keer) kon ik weer in huilen uitbarsten.

Uiteindelijk zette ik de wekker op mijn telefoon: elke dag zonderde ik mezelf een kwartier af en in dat kwartier mocht ik aan de tandarts denken, aan de mogelijke verwijzing naar de kaakchirurg, aan alle doemscenario’s, aan alle horrorverhalen. Na dat kwartier was het klaar, afgesloten. Dat werkte. Door een vast moment in te plannen, had ik ten eerste het gevoel dat ik de controle over mezelf weer terug had, en ten tweede bleven de nare gedachten overdag ook weg. De triggers hadden geen onmiddellijk effect meer op me, ik kon mijn reactie uitstellen tot in dat ene kwartier.

Een paar dagen geleden heb ik besloten dat mijn kiezen erin blijven. Ik heb me in mijn kwartieren goed ingelezen en ik weet welke problemen ze kunnen veroorzaken. Maar dit is psychisch niet gezond: ik liep continu gestrest rond, had meerdere huilbuien per dag en sliep sommige nachten niet meer dan twee uur.

Ik doe echt mijn best om van mijn tandartsangst af te komen. Het gaat alleen in heel kleine stapjes. Op dit moment kan ik nog niet alleen naar de tandarts omdat ik weet dat ik mezelf niet tot de deur kan brengen. Ik ben bang voor controles omdat de tandarts dan gaat vertellen dat ik een vervolgafspraak moet maken (in dit geval zijn het niet eens enkel mijn verstandskiezen: mijn kaken staan ook niet goed op elkaar, zei hij de vorige keer) en die vervolgafspraak is het enge, wat als het is misgegaan bij zoiets simpels als een gaatje vullen, wat gebeurt er dan wel niet bij iets gecompliceerders? Goed, die halve wortelkanaalbehandeling viel mee, maar was dat niet gewoon geluk? En dat was spoed, ik had ‘maar’ anderhalf uur om mezelf gek te maken en ik had zo’n pijn van mijn zenuwontsteking dat het me niet kon schelen wat er zou gebeuren…

In elk geval: er is héél weinig voor nodig om me het duwtje te geven om nooit meer naar de tandarts te gaan. Als het bij de kaakchirurg (iemand die ik niet ken, wiens vaardigheden ik niet ken en die in theorie in staat is om mijn kaak te breken terwijl ik een doek over mijn hoofd heb en niets zie) fout gaat, weet ik dat ik het nooit meer zal kunnen. Vergelijk het maar met iemand die doodsbang is voor spinnen: als je een vogelspin in de nek van diegene zet, zal diegene echt niet minder bang van een gewone huisspin worden. Dat moet geleidelijk gaan.

Omdat ik toch enigszins verstandig wil zijn, ga ik niet roepen dat mijn kiezen altijd blijven zitten. Ik wacht tot ik ze alle vier heb, en als het dan absoluut noodzakelijk is dat ze eruit moeten, laat ik ze misschien wel alle vier tegelijk onder algehele narcose verwijderen.

Zoals ik eerder al schreef, ben ik een rationeel persoon. Het is voor mij heel moeilijk om dit op te schrijven, want ik schaam me. Het is belachelijk om bang te zijn voor zoiets onzinnigs als de tandarts en een mogelijke verwijzing naar de kaakchirurg. Maar ik ben het wel. Het is mijn allergrootste zwakte en tegelijk iets moois, want ik merk dat ik andere mensen beter leer begrijpen. Tot ik mijn paniekaanval kreeg, geloofde ik eigenlijk niet in paniekaanvallen. Ik vond andere mensen vooral aanstellers, ik had een hekel aan onzinnig gejank. Nu weet ik dat het iedereen kan overkomen.

Om het toch een beetje leuk af te sluiten, haha.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten