zondag 2 oktober 2016

Nederlandse Taal en Cultuur

Een paar jaar geleden waren veel mensen verbaasd dat ik niet voor Nederlandse Taal en Cultuur koos toen ik mijn studiekeuze maakte. Ik had geen enkele moeite met het vak, het was geen geheim dat ik van schrijven hield en in het jaarboek van mijn middelbare school belandde ik op de tweede plaats in de categorie ‘wie er later terugkomt als docent’. Nog bedankt voor dat ‘compliment’, jongens.

Ik had een paar redenen om niet voor Nederlands te kiezen. Ten eerste wilde ik niet voorspelbaar zijn, ten tweede vond ik dat een studie voor arrogante mensen die hem als middel zagen om schrijver te worden en ten derde was de meeloopdag (omdat ik een rationele keuze wilde maken en niet alleen op mijn ehm vooroordelen wilde afgaan) in Utrecht verschrikkelijk. Ik had ook een proefcollege Literatuurwetenschappen gevolgd, waarbij ik in slaap was gevallen. Tja, dan is de keuze om iets niet te gaan doen snel gemaakt, toch?

Uiteindelijk koos ik Taalwetenschap, de meest brede studie die ik kon vinden. Het grootste verschil tussen Nederlands en Taalwetenschap is dat Nederlands gaat over geschreven taal en regels, terwijl Taalwetenschap gaat over de taal die mensen gebruiken. In mijn eerste colleges Taalwetenschap leerde ik hoe ik in het Arabisch ‘brandende liefde’ kan zeggen en later hoe hersens met dyslexie omgaan en hoe een taal kan sterven. Hoeveel een taal zegt over een cultuur. Een cultuur die geen liefde kent, zal er geen woord voor hebben. Of denk maar aan Harry Potter, waar niemand de naam van Voldemort uitsprak vanwege angst. Welke taal we gebruiken, zegt zo ongelooflijk veel over ons.

Als je de laatste spreker bent van een taal, ben je ook de laatste uit een cultuur. Dat vind ik één van de meest trieste beelden die ik kan bedenken.

Ik heb veel geleerd van Taalwetenschap, veel zelfvertrouwen gekregen omdat ik dingen voor elkaar kreeg die ik nooit verwachtte te kunnen: een mondeling van het IPA halen, een keer het beste cijfer van de hele groep te halen met een paper over drogredenen op Twitter, bijna wekelijks presentaties houden over onderwerpen waar ik enkele dagen eerder nooit van had gehoord.

Maar ondertussen leerde ik jonge mensen kennen die, net als ik, van schrijven hielden. Die er belachelijk goed in waren. Die met mij wilden praten over Kunst en Literatuur.

Ik wist alleen niets van Kunst en Literatuur, dus dat was altijd een beetje… eh, awkward.

Vorig jaar deed ik de minor Boek, Boekhandel en Uitgeverij. Daar kregen zowel de docenten als studenten me enthousiast over middeleeuwse manuscripten, druktechnieken en beroemde auteurs wiens werk ik niet durfde te lezen.

Het was die combinatie, en het idee dat ik ooit aan het werk zou moeten gaan. Sinds begin 2015 geef ik examentrainingen in Nederlands en ik vind dat fantastisch. Docent worden is een serieuze optie voor mij (shit, ben ik toch voorspelbaar), maar redacteur lijkt me ook een leuke baan. En aangezien ik zo’n arrogant persoon ben die denkt dat ze misschien schrijver kan worden en dat soort personen nu eenmaal Nederlands gaan doen, leek me dat een goede keuze.

Nou ja, om eerlijk te zijn ben ik op de opleiding tot nu toe maar één persoon tegengekomen die graag schrijver wil worden en hoopt het daar te leren, of in elk geval één die daar openlijk voor uitkomt. Veel studenten hebben hiervoor al wat anders gestudeerd (soms een week, soms, net als ik, drie jaar) en veel hebben Nederlands gekozen omdat ze niet wisten wat ze anders moesten kiezen. De sfeer is niet hooghartig of arrogant. Ik was heel bang dat ik slecht zou zijn in de literatuurvakken, maar we zijn begonnen met poëzie die ik enigszins begrijp en met docenten die duidelijk kunnen uitleggen. Dankzij mijn achtergrond in Taalwetenschap schrikken de op het Duits lijkende naamvallen van Middeleeuws Nederlands me niet zo heel erg af.

Goed, over Kunst en Literatuur weet ik na drie weken college nog steeds niets, maar ik kan je wel alles vertellen over die ene dichter die dacht slim te zijn door Medicijnen te studeren. Een topplan, want destijds kon je als arts al goed verdienen. Helaas voor deze dichter werd hij armendokter, waarmee hij ten eerste niets verdiende en ten tweede gespecialiseerd raakte in geslachtsziektes. Uiteraard maakte dat hem niet zo vrolijk, dus hij besloot met de West-Indische Compagnie naar Guinee te varen.

Hij had niet zo’n zin om de taal te leren. Dat maakte hem vreemd genoeg erg eenzaam. Tel daarbij op dat er in dat land veel tropenziekten waren. Goed voor een arts, zou je denken, dan heeft hij wat te doen. Maar helaas! Destijds wisten ze nog niets van tropenziektes en was je eigenlijk gewoon aan het kijken hoe iedereen doodging. Hoe gezellig. En tja, als je in de zeventiende eeuw naar de andere kant van de wereld reisde, was terug naar huis gaan niet echt een optie.

Uiteindelijk stierf deze dichter zelf op dertigjarige leeftijd aan zo’n ziekte, eenzaam en alleen (ja ja, dat was een stijlfiguur). Hij had dus een heel zwaar leven.
Om het nog wat erger te maken, heette hij ook nog eens Willem Godschalck van Focquenbroch.

Het is dus niet verbazingwekkend dat hij wat minder gezellige gedichten schreef, zoals het onderstaande. Het heet ‘Gedachten op mijn kamer’.

Gedachten op mijn kamer

Hier in dit klein, doch stil vertrek
tracht ik alleen mijn vreugd te zoeken;
hier, schoon ’t geluk mij keert de nek
vind ik vernoeging in mijn boeken,
en hou de wereld voor mijn gek.
Al ’s wereld vreugd acht ik een spook,
die men op het vaardigst ziet verzwinden.
Dit leer ik hier, wijl ik zit en smook,
mits ik daar daaglijks uit kan vinden
dat alle vreugd is min als rook.



Om het af te maken, had hij ook nog eens zo'n kop.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten