maandag 4 juli 2016

Parijs #2 - Le café des chats

Dag 3

Het is zondag en iedereen slaapt nog, behalve een reisgenoot en ik. We sluipen ons kasteel uit om bij de Spaanse buren te gaan ontbijten. Op de trappen voor het kasteel komen we degene tegen die de residentie coördineert, ze leest een boek. Dat is ook een manier van slapen, denk ik, en ik neem mezelf voor om na het ontbijt haar voorbeeld te volgen.
De broodjes bij het ontbijt zijn zo hard dat mijn reisgenoot ze niet kan doorbijten. Mij lukt het wel, maar een paar tellen later moet ik een scherp stukje uit mijn tong trekken.
Morgen weer naar de bakker, besluiten we.
Maar die blijkt op maandag en dinsdag dicht te zijn.

Na het ontbijt kletsen we met onze coördinator over het boek en over ons plan om te gaan zwemmen. Twee andere reisgenoten blijken dat ook te willen, en terwijl ik me naar de zesde verdieping haast, blijft mijn reisgenoot beneden om ze tegen te houden.
Zoals ik al vertelde in mijn vorige blog slaap ik op de bovenste verdieping van het gebouw, als enige van de groep. Voor zover ik weet ben ik ook de jongste. Toen ik voorzichtig naar de leeftijd van enkele reisgenoten vroeg en een beetje stalkerig deed op Facebook, kon ik niemand vinden die jonger dan vijfentwintig is. Gelukkig zijn het aardige mensen en voelt het niet als een probleem.

Trappenhuis vanaf de zesde verdieping van ons kasteel.

Met vieren lopen we naar het zwembad. Het schijnt al oud en heel mooi te zijn. De deuren zijn dicht, maar via het café weten we binnen te komen. De beveiliging houdt een heel verhaal in het Frans en kijkt een beetje intimiderend, maar het blijkt alleen het verzoek om in het vervolg niet meer via het café te komen (maak dan ook geen opening die lijkt op een deur tussen het café en het zwembad, rare Fransen). Met een lift gaan we naar de kelder en verwachtingsvol lopen we naar de dubbele deuren die naar het zwembad leiden.
Ze zijn gesloten.

Dan maar schrijven, dat is tenslotte de hoofdreden dat ik hier ben. Ik blader in Hoe fictie werkt, het boek dat ik bij me heb. Inmiddels heb ik ongeveer de helft gelezen en weet ik nog steeds niet hoe fictie nou eigenlijk werkt. Misschien wil ik het ook niet weten. Ik ga naar de website van deBuren en lees wat verhalen, gedichten en artikelen van eerdere deelnemers aan hun Parijsresidentie.
Tering, wat goed.
Zo goed dat ik Word niet eens meer durf te openen.

Achter het schrijven zit een soort druk, want ten eerste betaalt deBuren mijn overnachtingsplek en krijg ik een flink bedrag voor alle onkosten, en ten tweede komt de redacteur zaterdag al langs om onze vorderingen te bespreken. Die redacteur is ook mijn begeleider bij Talent op Tilt, dat ontwikkelingstraject, dus ik kan het niet maken om dan nog niets te hebben.
Ik besluit de druk wat te verlichten door een lunch te maken waarvoor ik geen pannen nodig heb (want die heb ik niet): fruitsalade. Over het snijden van alles doe ik extra lang. Misschien zullen de kiwi’s, appels en mandarijnen me een ongekende dosis inspiratie bezorgen, misschien is dat het geheim van de vorige deelnemers aan de Parijsresidentie. Misschien is er alleen sap voor nodig dat over mijn vingers loopt en vlekken in mijn shirt maakt.

Helaas. Na de lunch pak ik Stadsliefde van Adriaan van Dis erbij. Hij komt dinsdag bij ons eten en gaat daarna met ons in gesprek. Aangezien ik voor iemand die schrijft belachelijk weinig literatuur lees, is Stadsliefde mijn kennismaking met hem. Niet doorvertellen.*

Avondeten.

’s Avonds gaan we met zevenen eten bij Le café des chats, het kattencafé. Daar lopen katten rond die bij je op schoot springen en die je mag aaien als ze wakker zijn. De bediening spreekt drie woorden Engels, maar ik neem geen risico en bestel in het Frans (‘sans onions’). Wanneer de bestelling komt, vraagt een reisgenoot aan me of ik nou wel of geen Frans spreek. Ik beschouw het als een compliment.

Een video die is geplaatst door Marjolijn van de Gender (@marjolijn1994) op


Om negen uur speelt Frankrijk tegen IJsland in een stadion op twee metrohaltes van ons kasteel vandaan. We kijken de wedstrijd in een café, waar de eigenaresse ons een soort hoofdtooi/trollenkapsel geeft. Rode, blauwe of witte haren. Ik kies de witte, want in die kleur speelt IJsland en stiekem ben ik voor dat team. Bij elke goal juichen de Fransen harder. Na de derde wordt er al gejuicht wanneer er een Franse speler in beeld komt. Wanneer een speler de voet van zijn teamgenoot, die net gescoord heeft, kust, lopen de tranen over de wangen van een man.

Eerste café.

De tweede helft kijken we in een ander café. Aangezien IJsland hopeloos achter staat, zitten we wat verder weg, doen we spelletjes en oefenen we onze liegkunsten. In de metro naar ons kasteel gaan we door. We spelen ‘ninja’, een spel waarbij je moet proberen om tegen de handen van je tegenstanders te slaan. Onze dronken, van het voetbalstadion terugkerende medepassagiers vinden het nog leuker dan wij.

Ik zal maar niet vertellen dat ik de deksel van mijn theepot in mijn kop had laten vallen en dat we die er met twee lepels uit moesten vissen.

Selfie om de 'trollentooi' te laten zien.
* = Na het schrijven van mijn blog bleek dit niet waar te zijn. Ik heb Familieziek van hem ook gelezen. Ben ik toch meer belezen dan ik dacht!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten