dinsdag 14 juni 2016

Voordragen in de bibliotheek

‘Ben je zenuwachtig?’ vraagt een medewerkster van de bibliotheek.
We staan voor het podium in de zaal, waar steeds meer mensen naar binnen lopen. Ouderen, jongeren, volwassenen, goddank geen kinderen. Aan mijn linkerkant staat een katheder, waar eigenlijk zes vellen in A4-formaat horen te liggen. Vellen die ik daar een paar minuten eerder had neergelegd. In plaats van mijn vellen staat er nu een toetsenbord.
‘Nee,’ zeg ik, terwijl ik in gedachten inzoom richting elke hoek van de ruimte. Waar is mijn tekst gebleven? ‘Ik lees gewoon een verhaal voor. Het is niet zo dat ik iets uit mijn hoofd heb moeten leren wat ik kan vergeten. Zeg, gebruikt iemand dat ding?’
Nadat het toetsenbord is verstopt achter een gordijn, mijn vellen veilig op de katheder liggen en de medewerkster een glas water voor me heeft ingeschonken, kunnen we beginnen.

Het is 4 juni en Bibliotheek Midden-Brabant organiseert de eerste van twee stadswandelingen. In het kader van de Spannende Boeken Weken zullen stadsgidsen met een groep mensen in Tilburg op pad gaan, een tocht langs de criminele plekken in de stad. Zo is de allereerste echte bankoverval van Nederland in Tilburg geweest en speelde het bekende drama rond Marietje Kessels zich af in de stad. Daarnaast zijn er ook wat uitgaansmoorden, een soort Mulanverhaal over een vrouw die zich als man vermomde om in het leger te dienen en een heus hotelschandaal.

Maar geen van die onderwerpen is dat van het verhaal dat ik ga voorlezen. Ik heb gekozen voor een persoon die voorkwam in de selectie van bronnen en artikelen die ik ter inspiratie kreeg doorgestuurd, maar die niet in de wandeling zelf terecht is gekomen, zodat ik de stadsgidsen niet in de weg zou zitten.

Ik heb gekozen voor Coba Pulskens.

Coba Pulskens met achter haar onderduikers.

Coba Pulskens was een vrouw die in 1944 zestig jaar oud was. Ze was ongetrouwd, werkte als schoonmaakster en ving bijvoorbeeld piloten uit Canada, Australië en Groot-Brittannië op tijdens hun doortocht naar België. Aangezien ze geen man en kinderen had, vond ze dat, als iemand zijn leven op het spel moest zetten, zij diegene het beste kon zijn. Hoewel ze wist dat het te gevaarlijk was, koos ze er in 1944 voor om onderdak te bieden aan drie piloten. De gevolgen daarvan gaven haar een status als verzetsheldin.

Ik wist meteen dat ik het verhaal niet vanuit haar perspectief kon schrijven. Coba Pulskens voelde heel dichtbij, te dichtbij. Ik mocht haar geen woorden in de mond leggen, geen gedachten geven die zij nooit kon hebben gehad. Daarnaast zou ik het verhaal voor gaan dragen en dan zou mijn stem haar personage kleuren.

De tweede optie voor een perspectief was één van de drie piloten. Zij waren niet Nederlands, dus ze waren al verder weg. Maar ook hier was het voordragen een probleem: ik wist niet of het publiek het zou accepteren dat ik als vrouw zou doen alsof ik een man was (ik wilde per se een ik-perspectief) en ik zou het geen zes pagina’s volhouden om met een lagere stem te praten. Bovendien was de kans groot dat dat belachelijk klonk.

Piloot Roy Carter, die onderdook bij Coba Pulskens.

Toen dacht ik aan één van mijn favoriete boeken over de oorlog, De boekendief. Dat verhaal wordt verteld vanuit de ik-vorm, en de ik-persoon is de Dood. Plagiaat wilde ik niet plegen, dus de Dood als hoofdpersoon nam ik niet over, maar ik besloot wel om een kader om Coba’s verhaal te plaatsen. Het begin en het einde spelen zich af in een schemerwereld tussen leven en dood, en het midden is heet verhaal van Coba en de drie piloten.

Dat had meteen een ander voordeel. Een groot gedeelte van het publiek was Tilburgs en het verhaal van Coba Pulskens is bekend. Het kader zou die mensen toch nog iets extra’s geven, een reden om te blijven luisteren. Daarnaast zou het kader me helpen om bijvoorbeeld een tijdsprong te maken wanneer ik dat wilde, of om bepaalde zaken niet te verklaren. Op die manier kon ik een einde bedenken dat tijdstechnisch eigenlijk niet mogelijk was.

‘De voordracht gaat ongeveer vijftien minuten duren,’ zeg ik tegen het publiek, ‘dus als jullie het niet leuk vinden, sorry.’ Gelach. ‘Als jullie het wel leuk vinden, heel fijn. Het verhaal heet 1944.’
De zaal is stil als ik een slokje water neem, nog steeds stil als ik begin met lezen en blijft gelukkig niet stil als ik klaar ben. Na afloop sta ik in de rij voor de toiletten met luisteraars te kletsen, verkoop ik alvast mijn niet-bestaande debuutroman aan een geïnteresseerde en verheug ik me op de stadwandeling, die ik zelf ook zal lopen. Tijdens deze wandeling zal de stadsdichter van Tilburg, Martin Beversluis, gedichten voordragen.

Maar het mooiste moment zijn niet de gedichten.
Het zijn niet de complimenten.
Ook niet het voordragen.
En zelfs niet de rondleiding langs al het drama.

Het mooiste moment is wanneer een vrouw me tijdens de wandeling aanspreekt: ‘Hoe kwam je op het idee om over Coba te schrijven?’
Ik stamel iets over artikelen, foto’s en niemand in de weg willen lopen.
De vrouw glimlacht. ‘Mijn achternaam is Pulskens.’
Ik gaap haar aan.
‘Coba’s broer is mijn grootvader,’ zegt ze.
We kletsen verder. Ze vertelt dat ze mijn verhaal mooi vindt en ik stel een paar vragen over dingen die ik tijdens mijn research ben tegengekomen. Zo is er een vlag die een prominente rol speelt in mijn verhaal, maar die misschien niet heeft bestaan. Er zijn meerdere mensen die hebben beweerd hem gevonden te hebben, maar het bleken vervalsingen.
‘Is hij echt?’ vraag ik.
‘Hij is echt,’ zegt de vrouw, ‘en hij is zelfs nog steeds in mijn familie.’

*

Een fragment uit 1944

Bloed druppelt nog uit de borstkas van de jongen. Het aantal schotwonden kan ik niet tellen, sommige openingen zijn zo groot dat ze door meerdere kogels gemaakt moeten zijn. Hij staat met ingehouden adem voor me, alsof hij in de paar minuten tussen zijn dood en zijn aankomst is vergeten hoe zijn longen werken. De twee soldaten houden zijn armen vast. Ik geef ze een knikje om duidelijk te maken dat ze ons alleen kunnen laten.
De jongen kijkt naar mij met dezelfde grote ogen als iedereen die hier eerder stond. Zou zij de Dood zijn? vragen ze zich allemaal af.
Nee, dat kan niet, denken ze vervolgens.
Wat overblijft is twijfel en, in het geval van de jongen, nieuwsgierigheid. Zijn ogen glijden naar het bureau waaraan ik zit en ik kijk met hem mee. Er liggen beschimmelde boeken, een opengeslagen landkaart, een scheve stapel foto’s en gescheurde brieven met uitgelopen inkt, alsof iemand heeft gehuild tijdens het schrijven ervan. Het zijn voorwerpen die de doden per ongeluk hadden meegenomen en die ze moesten achterlaten. Een beetje kleur in de ruimte, want plaats voor ramen of schilderijen is hier niet.

*

Het volledige verhaal dat ik over Coba Pulskens schreef en voordroeg op 4 en 11 juni kan je hier lezen. Het is ook te vinden onder het tabblad 'Publicaties'.
De gedichten van Martin Beversluis over Tilburgse criminaliteit kan je hier lezen én beluisteren.
Ik wil de bibliotheek in Tilburg en haar medewerkers bedanken voor de twee leuke middagen, de lekkere lunches, de glaasjes water, de boterkoeken en vooral de kans om aan zo’n fantastisch project mee te mogen werken.

Als je meer wilt weten over Coba Pulskens, is Wikipedia een goed begin van je zoektocht.
Als je meer wilt weten over Roy Carter en de andere piloten, kan je o.a. terecht op deze website.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten