zondag 12 juni 2016

Racefiets

‘Ik heb een racefiets gekocht,’ vertelde een vriendin een paar weken geleden.
‘Oh, wat leuk!’ zei ik. Daar meende ik bijzonder weinig van. Ik ben geen fan van bijna alle soorten lichaamsbeweging, maar aan fietsen heb ik een rothekel. Het is een uiterste redmiddel als er geen bus rijdt en parkeren loeiduur is, dat wel. Maar om nu een fiets te gaan kopen met het idee dat je er regelmatig tientallen kilometers in een zo hoog mogelijk tempo mee gaat rijden, nee, dat kan ik niet leuk vinden.
‘We gaan de omgeving van Wageningen ermee verkennen,’ ging de vriendin door.
‘Leuk,’ herhaalde ik.
Ze keek me aan alsof ze in plaats van mijn stem mijn gedachten hoorde. ‘Je moet maar eens langskomen.’

Koeien in Wageningen.

Vaak zijn dat soort uitnodigingen ‘leuk’ en overweeg je op het moment dat je ze krijgt ook echt wel om eens langs te komen. Misschien denk je zelfs al een paar weken vooruit, probeer je te bedenken welke dagen nog akelig wit zijn in je agenda, en bedenk je uiteindelijk dat je toch niet zo’n zin hebt. Of je wilt degene die je uitnodigde niet lastigvallen. Of je vergeet het gewoon.

Ik kwam langs. Met een bus (ik kon mijn fiets echt geen nacht onbewaakt bij het station laten staan en oké, ik had ook geen zin om te fietsen) en twee treinen bereikte ik een station dat Ede-Wageningen heet. Bij de bushalte van dat station hing zo’n mooie kaart met ‘u bevindt zich hier’. Benieuwd naar de afstand die ik nog zou moeten afleggen bekeek ik de kaart. Ik bevond me ongeveer in het midden. Aan de linkerkant lag een dorp, aan de rechterkant Ede.
Wageningen bevond zich duidelijk niet hier, en ook niet in de buurt.

Een pad in Wageningen.

De tien minuten die ik op de bus moest wachten leken erg lang, tot ik me op de ingang van het station concentreerde om eventuele zwartrijders te betrappen. Er waren geen zwartrijders, want er waren geen poortjes, want er waren geen in- en uitcheckpalen.
Die stonden alleen op het perron, vertelde een reiziger die ook op de bus wachtte me vriendelijk. Of ik dat niet had gezien?
Nee, dat had ik niet gezien.
Of ik dan wel had uitgecheckt?
Nee, dat had ik niet –
De twee minuten die ik over had om naar het perron te rennen zodat ik alsnog kon uitchecken leken een stuk minder lang.

Uiteindelijk kwam ik veilig aan bij de flat waar ik moest zijn. De vriendin bij wie ik zou logeren had een verrassing: ze had een fiets voor mij kunnen lenen, zodat we samen door Wageningen konden toeren. Was dat even leuk!
Nou, het werd serieus leuk. Het begon al bij de campus, die hypermodern is en vol met interessante gebouwen staat. Onderweg leek elke fietser mijn vriendin te herkennen. Na elk kort gesprekje, waarbij ik niets durfde te zeggen en alleen (hopelijk) vriendelijk lachte, vertelde ze me iets belangrijks over de persoon: ‘hij studeert iets met planten’ of ‘die zien we vanavond ook’.

Het allermooiste van Wageningen vond ik het groen. Overal waren bomen en planten, koeien en paarden, er was zelfs een soort berg tussen het centrum en de campus waarop een arboretum was gebouwd. De fietspaden waren heel breed, de wegen rustig, en de mensen vriendelijk. Bij de bushalte (ja, ik had de bus gehaald) was het me opgevallen dat niemand voordrong bij het instappen. Het oude vrouwtje bleek haar rollator niet bij zich te hebben om over andermans voeten te rijden, de chauffeur leek zijn begroeting te menen en een man zette een stap opzij zodat ik vóór hem kon instappen. Die rust leek door de hele stad te hangen.

Uitzicht vanaf de berg in Wageningen.

In het centrum was een groot plein met in het midden een kerk en daaromheen een rondje van restaurants met terrasjes. ‘Dit is vast de plaats waar criminelen vroeger geëxecuteerd werden,’ zei ik enthousiast tegen mijn vriendin toen we op zo’n terrasje zaten.
Ze keek me aan met de blik die ik ongetwijfeld had gehad op het moment dat ik haar racefiets ‘leuk’ noemde.
‘Ik bedoel dat dit vast het middelpunt van de stad was,’ verbeterde ik mezelf snel.

In Wageningen kan je ook nog eens superlekker eten. Restaurants schijnen daar ook vaak een goede vegetarische kaart te hebben.  (Dit was trouwens bij Eetcafé de Tijd, waar de jongen van de bediening zag dat ik een foto maakte. Hopelijk vinden ze deze foto, dan mag ik misschien gratis terugkomen haha.)

We waagden ons in een tekenparadijs: een veld met gras en onkruid dat tot onze heupen kwam. Er was een pad in de richting van de Rijn. Dat volgden we tot we uitkwamen bij een groep jongens in een zwembroek. Een paar meter verderop stonden twee meisjes in bikini tot hun knieën in het water. Ze rilden en hadden hun armen om zichzelf heen geslagen, alsof ze toch iets moesten voelen omdat ze de rivier niet verder in waadden.
Bij een weiland met koeien verlieten we het pad voor iets wat leek op een pad. Stekels prikten in onze kuiten, brandnetels kriebelden over onze blote armen en koeienvlaaien probeerden zich door onze schoenzolen te wringen.
Ik probeerde me te herinneren hoe lang het geleden was dat ik met een gescheurde broek en benen vol schrammen op avontuur was gegaan.

De Rijn met ervoor hoog gras en onkruid. In Wageningen, natuurlijk.

In de kroeg, waar klassiekers als Oya Lélé en Dromendans werden gedraaid (goddank hebben we in Brabant iets wat carnaval heet, waardoor het heel vertrouwd voelde), was het heel ongemakkelijk. Ongeveer drie minuten lang. Daarna drukte de vriend van mijn vriendin een biertje in mijn hand en begon te praten.
Binnen een minuut kende ik vijf mensen van hun opleiding.
Binnen een uur bood iemand aan om me een lift naar Brabant te geven omdat de treinreis onhandig was.
Binnen twee uur werd er iemand gevonden die iemand kende die óók Taalwetenschap studeerde.
Binnen drie uur was het dak er letterlijk af.
Binnen vier uur had ik geen stem meer omdat iedereen zo geïnteresseerd in me was dat ik mijn hele levensverhaal boven Sexy als ik dans uit moest schreeuwen.

Het kapotte plafond in de kroeg.

Het was heel verfrissend om met mensen te kunnen praten en dansen die oprecht leken, die wilden horen wat mijn studie inhield en die vol passie konden vertellen over hun scriptie (‘varkens kunnen een bewuste keuze maken’). Het was ook erg prettig om steeds van onbekenden bier (niemand dronk wijn) te krijgen zonder gedrogeerd te worden. Daar in Wageningen leken geen verborgen agenda’s te bestaan, geen dubbele motieven, geen jaloezie. Er was even geen schrijven, geen druk, geen concurrentie.
Er was alleen het uitzicht vanaf de flat, dat bestond uit bergen of heuvels of wat het verschil ook is (‘dat is de Grebbeberg’), sportvelden en bomen. In Wageningen kan je de vogels horen. In Wageningen kan je ademen.

Ik wil ook in Wageningen wonen.
Met een racefiets.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten