zondag 22 mei 2016

Wachter

'Het verhaal dat op de eerste plek is gekomen was een duidelijke winnaar. Het verhaal is mysterieus en helder. De schrijver lijkt een hele goede intuïtie te hebben voor hoe je een lezer een verhaal binnenzuigt, want de eerste alinea is genadeloos goed geschreven. Het is spannend en er is een echte verteller aan het woord. De dialogen zijn heel goed en het is ambitieus. Het is precies en groot en de schrijver zou dit verhaal kunnen uitwerken tot een roman. Het winnende verhaal in Eindhoven is ‘Wachter’ van Marjolijn van de Gender.'
- Rebekka de Wit, juryrapport Write Now! Eindhoven 2016

Vandaag heb ik de eekhoorn niet gezien. Gisteren en eergisteren hing hij ondersteboven in de boom naast ons slaapkamerraam, graaiend naar de vetbollen die Agnes voor de vogels had opgehangen. Het kostte haar bijna zes minuten om een knoop te leggen in het touwtje, maar ze wilde niet dat ik het deed. Tot haar middel hing ze naar buiten, terwijl ik me afvroeg of ik wenste dat ze het raam sloot of dat ze haar evenwicht verloor.
Veel vogels komen er niet op de bollen af. Ze blijven liever in het bos, waar de bomen zo hoog zijn dat we ze door het raam kunnen zien. Gelukkig hebben we de eekhoorn, die ervoor zorgt dat Agnes om de twee weken nieuwe touwtjes om de takken kan knopen. Ze zit op een stoel voor het raam, staart naar de dichte gordijnen.
‘Kom je naar bed, liefste?’ vraag ik.
Ze maakt een brommend geluid. Ik weet dat het ‘nee’ betekent.

*

‘Wat doe je?’ zegt Agnes. Ze ligt naast me, half onder de dekens. Aan het voeteneinde van het bed heb ik de kleren klaargelegd die ze de komende weken wil dragen, dat vroeg ze.
‘Denken,’ zeg ik.
‘Je beweegt erg veel voor iemand die denkt.’
Ik ga verzitten. Terwijl het matras kraakt, knarst de kop van mijn heup tegen de kom. Mijn enkels knakken bij het verplaatsen van mijn voeten. Soms vraag ik me af of mijn lichaam denkt dat ik blind ben geworden, dat ik alleen kan functioneren als het geluiden maakt. ‘Ik keek naar het raam.’
‘Zijn de gordijnen niet dicht?’
‘Jawel.’
‘Waarom keek je dan naar het raam?’ Ze draait zich om, dat voel ik, en waarschijnlijk kijkt ze nu naar mij. ‘Je wilt het toch niet openzetten zodat je kunt roken, hè?’
Het is een uren geleden dat ik een sigaret heb opgestoken. De aansteker ligt in de lade onder het fornuis. ’s Nachts verandert de trap in een bospad vol kuilen en boomwortels.
‘Je weet best dat ik niet ga roken,’ zeg ik.
De dekens ritselen en het matras golft. Ze ligt weer met haar rug naar me toe
.
Omrollen is het enige wat Agnes kan. Vanmorgen zaten we samen aan de keukentafel. Molly stond naast me, haar kop lag op mijn knie. Ze kwispelde voorzichtig, zodat ze Agnes niet zou raken. Haar snuit was zo wit dat het leek alsof de poedersuikerbus op haar neus was gevallen. Ik voerde haar de restjes roerei.
‘Fijn dat je mij eerst vraagt of ik nog wil,’ zei Agnes.
‘Wil je nog?’
‘Uit die bak waar jij met je handen in graait? Nee, dankjewel.’ Ze schoof haar stoel naar achteren. ‘Ik maak wel een nieuwe portie.’ Ze zette een stap naar het fornuis, maar verder dan die ene stap kwam ze niet. Opeens lag ze op de grond. Met haar armen drukte ze zichzelf overeind. Halverwege moest ze zich laten zakken.
‘Zit daar niet zo,’ beet ze me toe. ‘Doe die hond weg en help me.’
Ik streelde Molly’s nek, net onder haar halsband. Zonder haar aan de kant te duwen stond ik op. Terwijl ik naast Agnes knielde, verhuisde ze haar kop naar mijn schouder.

‘Ik slaap nog niet,’ zegt Agnes.
Mijn rug kreunt als ik me voorover buig en naar mijn pantoffels tast. Ze moeten bij de poot aan de kant van het hoofdeinde staan. Mijn tenen zijn bijna bevroren.
Agnes tikt tegen mijn rug, haar nagel dringt door mijn pyjama. ‘Wacht tot ik slaap.’
‘Ja.’
‘Tot je het zeker weet.’
Mijn vingers raken de pantoffels. Met moeite wring ik mijn voeten erin. De tijd is sneller gegaan dan ik. Wanneer heeft hij me ingehaald? Hoe kan ik dat niet hebben gemerkt?
Misschien lag hij vanaf het begin voor en dacht ik alleen dat ik een kans maakte om hem voorbij te lopen.

Elf jaar geleden vond ik Agnes op de bank. Ze zat onderuitgezakt tegen de leuning en had haar voeten op het leer gezet. Haar benen vormden een driehoek en een steun voor een egel. Hij sabbelde op het uiteinde van een lege spuit.
‘Melk?’ vroeg ik.
‘Het was water. Als er iets is wat je een egel nooit mag geven, is het melk. Net als honden en chocolade.’ Het beestje smakte en ze glimlachte. ‘Trudy van de supermarkt heeft hem gebracht. Ze vond hem in een doos voor de deur, kan je het je voorstellen?’
Ik trok de rits van mijn jas naar beneden. Het was warm in huis. Vorige week had Agnes drie kuikens vrijgelaten die groot genoeg waren om zichzelf te redden. Ze huilde erom, bijna even lang als om de dieren die het niet hadden gered. Ooit liet ze een musje in mijn luie stoel wonen. Elke dag gooide ze het in de richting van het plafond om te kijken of het sterk genoeg was om te vliegen, dat had de dierenarts haar aangeraden. Het lukte het musje niet, het stortte piepend neer op het tapijt. Na drie weken maakte de dierenarts een röntgenfoto en zagen we dat de rechtervleugel op zes plaatsen was gebroken.
‘Het spijt me zo,’ had Agnes snikkend gefluisterd terwijl het beestje de laatste prik kreeg. Die tranen kwamen uren, dagen en weken later terug.
‘Maakt die egel een kans?’ vroeg ik nadat ik mijn jas had opgehangen.
‘Ik denk van wel.’ Ze legde de spuit naast zich neer. ‘Hij was zwak, maar over een uurtje zal ik ze naar de opvang brengen.’
‘Ze?’
Op dat moment landde er een gewicht op mijn voet. Iets sterks trok aan de veters van mijn schoen. Een gitzwarte hond, niet groter dan één van de kussens op de bank, liet zich op het tapijt vallen, klemde mijn schoen tussen de voorpoten en begon te kauwen.
‘Deze gaat niet naar de opvang,’ zei ik.
Agnes fronste haar wenkbrauwen. ‘Zoals je ziet, is er niets mis met die hond. Eigenlijk wilde ik haar niet hebben. Trudy drong zo aan dat ik geen nee kon zeggen, ze zou me een heks hebben gevonden. Ik had dat beest in de keuken opgesloten, geen idee hoe ze is ontsnapt. Straks vinden we overal haren.’
‘Ik kan stofzuigen.’
‘Die hond moet terug naar de plaats waar ze thuishoort.’
‘Daar is ze al.’ Ik bukte. Met mijn ene hand zocht ik steun op het tapijt, de andere legde ik op de rug van de puppy. ‘Ze hoort bij mij.’

In de logeerkamer staat een stoel. Ik durf niet op de lichtknoppen te drukken, want Agnes slaapt net. Als ik hem probeer op te tillen, verkrampen mijn schouders. Met moeite houd ik een vloek binnen. Ik moet rustig blijven. Hem naar de slaapkamer trekken kan ook, de vloerbedekking dempt elk geluid.
Centimeter voor centimeter sleep ik de stoel mee. Mijn vingers trillen en ik ben bang dat hij uit mijn handen valt, maar ik stop pas als ik bij het raam ben.

‘Er is een prijs,’ zei Agnes uiteindelijk.
‘Een prijs?’
‘Je mag die hond houden, waarschijnlijk zullen de buren het een geweldig verhaal vinden. Maar ik wil dat je me iets belooft.’
Ik liet me naast haar op de bank vallen en kuste haar wang. ‘Alles.’
‘Weet je nog, dat musje van een poos geleden?’ Ze zette de egel op een kussen en legde haar voorhoofd tegen mijn overhemd, net onder mijn sleutelbeen. ‘Als er ooit iets met mij gebeurt, als ik niet meer kan lopen, wil ik niet fladderen en neerstorten. Dan wil ik dat het klaar is. En daar moet jij me bij helpen, Theo.’

Agnes heeft niet gevraagd welk wapen ik gebruik. Geen pistool, dat heeft ze me op het hart gedrukt, want de ambulancemedewerkers mogen niet merken dat ze hulp heeft gekregen. Zou ze de vreemde bolling van mijn kussen hebben gezien, die bijna verraadt wat ik eronder heb gelegd?

De eerste paaseieren lagen twee maanden geleden in de winkel. Agnes vroeg of ik er een grote zak wilde halen, pure met minstens zeventig procent cacao. Ik stapte in de auto.
‘Waar moet ik ze neerleggen?’ vroeg ik toen ik terug was.
‘Op tafel.’ Ze wilde ze allemaal tegelijk opeten.
Het autorijden had me uitgeput, dus ik nam een douche om mijn lichaam te kalmeren. Badderen kon niet meer, daar werden mijn gewrichten stijf van. De warme stralen tegen mijn schedel waren prettig, ze herinnerden me aan de krullen die ik ooit had. Agnes waste haar haren onder de kraan. Binnenkort zouden we een zitje laten installeren.
In de woonkamer wachtte ze. De paaseitjes lagen niet meer op tafel. Molly zat hijgend op de grond, omringd door blauwe, groene en rode propjes.
Op dat moment haalde ik de tijd bijna in. Ik greep de telefoon even snel als ik vijftig jaar geleden zou hebben gedaan.
Terwijl ik het nummer van de dierenarts intoetste, zei Agnes: ‘Je kunt niet meer voor ons allebei zorgen.’

Ze ligt stil, snurkt niet, ademt nauwelijks. Mijn gesleep met de stoel heeft haar niet wakker gemaakt, of misschien wilde ze niet wakker worden en doet ze alsof ze nog slaapt.
In haar donzige pyjama lijkt Agnes zelf een dier, een egel die is achtergelaten in een doos, een kuiken dat niet meer kan eten. De spierziekte begon in haar benen, met krampen in haar kuiten die te lang duurden. Hij heeft haast.
Maar ik niet.

*

‘Denk je dat de eekhoorn morgen komt?’ vraag ik.
Gerochel is mijn antwoord. Woorden zijn niet te herkennen, al heel lang niet meer. Haar haren vormen een klitterige knot die in haar nek hangt. Slierten plakken tegen haar oren. Ze doen me denken aan Molly, die zich uitschudt als we in de regen hebben gewandeld. Zelfs dan rent ze van boom naar boom en kan ze minutenlang snuffelen aan een stuk schors of afgebrokkeld mos. Soms vraag ik me af of ze na elf jaar nog steeds nieuwe geuren langs het bospad ontdekt of dat ze wacht tot ik weer naast haar loop. Dankzij mijn gele regenjas kan Agnes ons zien tot we de eerste bomenrij bereiken.
Maanlicht schijnt door een spleet tussen de gordijnen naar binnen. Het verlicht haar handen die naar het raam graaien, het touw dat ik om haar middel heb geknoopt. Ze mag niet op de grond glijden en haar heup breken.
Als ze wil dat ik haar losmaak, moet ze dat zeggen.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten