donderdag 3 december 2015

'Wil je praten?'

Ik sta aan het begin van de coupé, aan het einde staat een meisje van mijn leeftijd, ik ken haar niet, ze draagt een jas die niet bruin en niet oranje is en een hoed met een lint. Haar hand ligt op de glazen deur, ze heeft hem een stukje opengeduwd, maar ze beweegt niet. Ze wacht.

Als ik haar wil inhalen, kruisen onze blikken elkaar. Haar ogen zijn heel lichtbruin, een kleur die ik niet vaak heb gezien. 'Wil je praten?' vraagt ze.
'Ja,' zeg ik.
We lopen de coupé uit en vinden een lege bank in een andere. Ze haalt een lippenstift uit haar jaszak en gebruikt de ruit als spiegel. Buiten is het donker, waardoor je een reflectie van jezelf ziet. Ik kijk naar haar concentratie, naar haar mond die een stukje open is en haar hand die millimeter voor millimeter beweegt, zo nauwkeurig dat het lijkt alsof ze een schilderij van Rembrandt restaureert. Het is geen ongemakkelijke stilte. Het is gewoon een stilte.

'Het is je jas,' zegt ze nadat ze haar lippenstift weer heeft opgeborgen. 'Daarom vroeg ik of je wilde praten.'
Dat dacht ik al. Meer mensen voelen zich aangetrokken tot mijn jas, die blauwgroen is met zwarte knopen.
'Ik wil jouw naam niet horen en die van mij niet vertellen,' gaat ze verder.
'Prima.'
'Praat je vaak met mensen in de trein?'
'Soms,' zeg ik, 'maar de laatste tijd minder. Eerlijk gezegd slaap ik best vaak.' Ik kan overal slapen: de trein, de bus, het vliegtuig, op de vloer, op de bank, tijdens college.
Ze glimlacht. 'Vind je het fijn om met mensen in de trein te praten?'
'Meestal wel. Maar soms ben ik blij als we bij een station zijn waar één van ons eruit moet.'
'Precies,' zegt ze. 'Dat is de reden dat ik het zo fijn vind om gesprekken in de trein te hebben en waarom ik je naam niet wil weten. Nu zitten we hier, maar over een halfuur nemen we voorgoed afscheid. We zullen elkaar nooit meer zien. Het maakt niet uit wat ik zeg of wat jij denkt, want het heeft geen consequenties. Toen ik een keer op enorme hakken, hoger dan die van jou,' ze grijnst trots, 'door de trein rende in de spits en dacht dat ik nooit een zitplaats zou kunnen krijgen, gooide een meisje in de coupé een tas op de stoel naast zich. "Bezet!" riep ze naar iedereen die daar wilde gaan zitten. Ik liep haar al voorbij, maar ze haalde haar tas opeens weg. "Kom vlug zitten," zei ze, "je voeten zullen wel zeer doen." Zoiets had nog nooit iemand voor me gedaan, ook mijn vrienden niet, en ik heb nooit het gevoel gehad dat ik haar moest terugbetalen, want we zouden elkaar nooit meer ontmoeten.'

Voordat ik mezelf kan tegenhouden, begin ik te vertellen. Over het meisje Lente, over de crimineel, over de opa met zijn kleinkinderen, over de vrouw die foto's van haar vier haast identieke dochters uit haar portemonnee haalde zodat ik een beeld had bij haar verhaal, over de toerist en over de wat minder positieve ontmoetingen.
'Wat vind je van mij?' vraagt ze.
'Ik vind je interessant.'
'Ik heb het vorige week uitgemaakt met mijn vriend omdat ik hem pijn wilde doen.' Ze tikt het haar wijsvinger op haar knie, net iets te hard om ongeduldig of ritmisch te zijn. 'Ik heb hem zes dagen laten smeken en zijn excuses laten aanbieden voordat ik hem vandaag heb teruggenomen. Nu wil ik hem weer dumpen omdat ik hem een lafaard zonder ruggengraat vind.'
'O,' zeg ik.
'Eigenlijk zoek ik iemand die tegen me zegt dat ik een bitch ben.'
'Ik geloof niet dat ik daar de geschikte persoon voor ben.'
'Waarom niet?'
'Omdat ik niet denk dat je een bitch bent.' Ik haal mijn flesje water uit mijn tas en neem een slok, zodat ik tijd heb om na te denken. 'Luister, ik ben heel slecht in dit soort relatiedingen. Als ik jou was, zou ik hem nu nog appen dat je het toch uit wilt maken en dat het je spijt. Je speelt een spelletje met die jongen.'
'Ik weet het.'
'Gewoon duidelijk zijn. En eerlijk. Dat zijn geen zaken waar je vrienden mee maakt, maar je wilt ook geen vrienden maken.'
'Ik heb geen idee wat ik wel wil,' zegt ze.

Ik ook niet. Dit is het derde jaar van mijn studie, maar ik ga mijn scriptie volgend jaar pas schrijven. Naar masterdagen ben ik nog niet geweest. Die hele master interesseert me eigenlijk niet. Een tweede bacheloropleiding lijkt me interessant. Dat roep ik al twee jaar en toch heb ik er nog geen gevonden. Soms roep ik dat ik schrijver wil worden, zoals ook hier op mijn blog staat, soms denk ik dat ik schrijven net zo goed kan opgeven omdat dat moment waarop ik er echt plezier in heb niet meer gaat terugkomen. Volgens mij hebben we dat soort dingen allemaal wel. Dat is menselijk.
Dat zeg ik niet tegen het meisje. Het enige wat ik tegen haar zeg is: 'Gewoon niet doen wat je niet wilt.'
'En niet zijn wat je niet wilt zijn,' vult ze aan. 'Het klinkt zo makkelijk, hè?'
'Voor sommige mensen is het inderdaad makkelijk.'
'Voor jou,' zegt ze. 'Jij klinkt zo rationeel.'
'Ik ben rationeel. Maar zelfs dan gaat het vaak fout, hoor. In je hoofd zien dingen er heel anders uit dan in het echt.'
'Het lijkt me boeiend om in jouw hoofd te kijken,' zegt het meisje. 'Je zei net wel dat je mij interessant vond, maar volgens mij ben jij nog veel interessanter. Ik ben heel benieuwd wat daar allemaal gebeurt.'
Naast opmerkingen over mijn jas hoor ik dit soort dingen vaker, Ik reageer er niet op; zoals je aan het eerste woord van de naam van deze blog kunt zien, valt mijn hoofd tegen als je het van dichterbij bekijkt. Alles valt dan tegen. Dat is iets wat ik zelf zo fascinerend vind aan mensen in het openbaar vervoer. Elke dag is er wel iemand die een deur voor me openhoudt, iemand die me helpt als ik een koffer bij me heb of iemand die me bedankt als ik een deur openhoud.
Als je mensen van een afstandje bekijkt, lijkt de wereld zo slecht nog niet.

Bij het volgende station staat het meisje op. 'Hier moet ik eruit,' zegt ze.
Ik knik en zeg haar gedag.
Ze aarzelt. Dan blijft ze staan. 'Ik denk niet dat ik hem ga appen.'
'Niet?'
'Nee, ik denk dat ik vanavond naar hem toega om het hem te vertellen. Dat heeft hij verdiend. Bedankt.'
'Dat is inderdaad beter. Graag gedaan.'
Ze draait zich om om weg te lopen en deze keer ben ik degene die aarzelt. 'Wacht,' zeg ik uiteindelijk en ze staat meteen stil, 'waarom wilde je eigenlijk praten?'
Ze kijkt over haar schouder en glimlacht. 'Omdat ik wilde praten.'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten