woensdag 25 november 2015

... alleen naar huis

Dit is het vervolg op het bericht Samen uit, ...

Wat ik precies voel, kan ik niet onder woorden brengen. Het lijkt alsof iemand mijn maag in zijn handen houdt, hem ronddraait en hem bekijkt, nieuwsgierig als een wetenschapper die benieuwd is of zijn chemische brouwsel zal ontploffen als hij er een druppel vloeistof in laat vallen. Af en toe knijpen de handen, te onzeker, te hard. Dan stokt mijn ademhaling.

Als ik het hostel uit loop, laat ik de handen achter. Ik neem de metro naar Picadilly Circus, want dit is niet de eerste keer dat ik in Londen ben. Elisa was degene die wilde bepalen welke metro’s we namen, waar we heen gingen en waar we zouden overstappen, maar ik ken de stad op mijn eigen chaotische manier. In de metro is het zo druk dat ik tussen vijf mensen sta ingeklemd. Een kinderwagen stoot bij elke schok tegen mijn enkels. Wanneer we bij mijn station zijn en er twee meter en tien mensen tussen mij en de deuren staan, mompel ik zonder verwachting: ‘Excuse me.’
Nog voordat ik het tweede woord heb uitgesproken, heeft iedereen een stap opzij gedaan en kan ik naar de deuren lopen.

Op zaterdag deden Elisa en ik een afternoon tea bij Kensington Palace: een verjaardagscadeautje van mijn ouders.
De zon schijnt. Dat heeft ze alle drie de dagen gedaan en de vorige keer dat ik in Londen was ook. Ik loop naar links en steek de straat over. Nog geen honderd meter verderop schreeuwt de etalage van een gebouw met vijf verdiepingen naar me. Een boekhandel.

Over deze boekhandel zal ik later een blog schrijven (ik heb boeken gefotografeerd die hilarisch zijn en die ik eigenlijk had moeten kopen), dus voor nu zal ik alleen vertellen dat ik vier boeken meeneem. Eén voor mijn hersens, één voor mijn lachspieren, één voor slapeloze nachten en één voor mijn symbolische verzet tegen mensen die mij vertellen wat ik moet doen. Daarna stap ik andere winkels binnen, pas ik kleren die ik nooit zou kopen en doe ik alsof ik geïnteresseerd ben in een afschuwelijk paar kniekousen.

Zo'n afternoon tea is aan te raden, haha.

In een overvolle Starbucks pauzeer ik met een Toffee Nut Latte en een stuk carrot cake. Als de verkoper vraagt hoe ik heet, noem ik mezelf Alexandra. De naam Marjolijn en Groot-Brittannië zijn geen goede combinatie. De vorige keer dat ik daar was, werd ik voor een toneelstuk op het podium gedwongen. Ik moest de verdachte spelen in een rechtszaak in het Londen van Jack the Ripper.
What’s your name?’ vroeg de actrice naast mij.
Marjolijn,’ zei ik, heerlijk naïef als ik was.
Er viel een stilte waarin de actrice paniekerig naar de andere spelers staarde en mensen uit het publiek tegen elkaar begonnen te fluisteren. ‘Okay, I’ll call you Susan,’ besloot de actrice uiteindelijk.


Ik raak in gesprek met een jongen die mijn naam toevallig opvangt en opmerkt dat hij ‘beautiful’ is. Een studente, geboren en getogen in Londen, mengt zich in het gesprek en met drieën belanden we aan een leeg tafeltje. Ik laat mijn boeken zien, maak een foto en laat hen een filter kiezen. Daarna laat ik het tweetal achter en bekijk ik het theater van The Book of Mormon, luister ik naar het spel van Zwitserse klokken die speciaal voor kerst zijn opgehangen en verdwaal ik in de officiële M&M’s winkel.


Mijn laatste uur in Londen breng ik weer door in het hostel. Deze keer niet op de bank maar op een kruk. Mijn telefoon moet opladen, zodat ik mijn ouders kan bellen en een hotel kan regelen als er iets in Brussel gebeurt en ik moet blijven. Het voelt raar om in mijn eentje naar het station te lopen. Gelukkig is alles in Londen prima geregeld en vind ik vrijwel meteen waar ik moet inchecken.

Zoals altijd kom ik probleemloos door het poortje en hoef ik niet gefouilleerd te worden. De paspoortcontrole gaat zo vlot dat ik nog een half uur moet wachten tot ik kan boarden. Ik koop een sandwich, die ik vervolgens op de toonbank laat liggen en die door een enthousiaste Fransman naar me wordt teruggebracht. Mijn ‘merci’ klinkt zo accentloos dat hij een lang, onverstaanbaar verhaal tegen me begint te vertellen, waarvan ik alleen de woorden ‘Paris’, ‘joli’ en ‘l'Eurostar’ versta.


In de trein is het gek. Elisa’s plaats is leeg. Mijn koffer wil niet in het bagagerek en zonder dat ik erom vraag, geeft een jongen hem een extra zetje, zodat het toch lukt. Ik zet mijn tas, paraplu en plastic zak met aankopen op Elisa's stoel. De andere mensen in de coupé kijken verbaasd en een beetje afkeurend naar me. Zij weten niet beter dan dat alle plaatsen in de trein zijn verkocht. Zij denken dat er nog iemand zal komen.
Ergens denk ik dat ook. Zelfs wanneer er wordt omgeroepen dat de deuren zullen sluiten, verwacht ik dat Elisa de coupé binnen zal lopen. Maar ze komt niet. In plaats daarvan komen de gedachten over de donkere man die gefouilleerd werd terwijl ik mijn spullen in een bak voor de controle deed. Hij gaf aan dat niemand aan zijn linkerarm mocht komen omdat hij een operatie had gehad. Stel dat er geen operatie was, stel dat…

Het is veilig. Dat weet ik. Toch voelt het niet zo. Elisa is er niet, Elisa pakt het vliegtuig, had ik toch niet hetzelfde moeten doen? Wat als ze gelijk heeft? Wat als het inderdaad gevaarlijk is?
De trein glijdt het station uit. Ik haal My Uncle Oswald uit de tas en sla het open. Terwijl we Londen verlaten en de magische pen van Roald Dahl me meeneemt naar het begin van de twintigste eeuw, word ik rustiger. Het komt goed. Dat denk ik niet – ik voel het. Boeken hebben me altijd geholpen, soms tijdens een vlucht waar ik tegenop zag, soms tijdens een tentamenperiode waarin al mijn studiegenoten zoveel slimmer leken dan ik.
Ik geloof dat dat escapisme wordt genoemd.

Station Brussel-Zuid is koud en leeg. Ik ben de eerste die de roltrap neemt naar perron achttien, waar de trein naar Antwerpen Centraal zal vertrekken. Tegenover me zie ik een kantoorgebouw. Alle lichten zijn uit, het is kwart over tien ’s avonds en de stad houdt zich dood. My Uncle Oswald zit in mijn tas, de wind slaat tegen de onbedekte huid van mijn nek.
Opeens staat er een Vlaamse vrouw naast me, een pas achter haar een andere vrouw die duidelijk bij haar hoort. ‘Pardon,’ zegt ze, ‘spreekt u Nederlands?’
‘Ja,’ zeg ik.
‘Uw jas is zo schoon. Ik vraag mij af waar u die heeft gekocht.’
Ik noem de winkel, herhaal de naam nog eens voor haar en kijk haar na terwijl ze wegloopt. De Vlamingen die ik ken zijn ongelooflijk aardig, maar ze zeggen allemaal dat Nederlanders wat vrijpostiger en brutaler zijn dan zij.
Het idee dat mijn jas zo leuk is dat zelfs een bescheiden, beleefde Vlaamse op me afstapt om me dat te vertellen vrolijkt me op.

In de trein naar Antwerpen is de sfeer kil. Er zijn weinig mensen. De conductrice is vlug en ferm en controleert mijn vervoersbewijs nog voordat we vijf minuten onderweg zijn. Iedereen zwijgt. Wanneer er een man met een dikke trui en een donkere huidskleur door het gangpad loopt, draaien de hoofden voor mij zijn kant op. Zelfs nadat hij verdwenen is, blijven ze gedraaid, alsof ze wachten tot hij zijn bomgordel heeft gehaald en terugkomt.

Dan loopt de conductrice weer langs me. Onze blikken kruisen elkaar.
C’est bien,’ zegt ze.
Ik weet niet of ze het over mijn vervoersbewijs of over de situatie heeft.

Bij het volgende station stapt een echtpaar in. De vrouw waggelt en praat onsamenhangend, de ene zin in het Frans, de andere in het Nederlands. De man heeft zijn hoofd kaalgeschoren en de vrijgekomen ruimte benut om tatoeages te laten zetten. In zijn handen houdt hij een riem, een leiband op zijn Vlaams, en aan het uiteinde van de leiband loopt een vechthond.
Ze komen achter mij zitten. Nadat de man heeft gevraagd of hij extra moet betalen voor ‘d’n hond’ springt het dier naar mij toe.
De man wil hem terugroepen.
‘Laat hem maar hier,’ zeg ik, terwijl ik de hond achter zijn oren aai en hij zijn kop op mijn schoot legt. Zijn lippen vallen niet helemaal over zijn tanden, die lang en scherp zijn.
Boeken, complimenten en honden zijn sterker dan zenuwen.
De man ontdooit en vertelt me dat de hond Nestor heet. Vervolgens laat hij de riem losser en bemoeit hij zich met zijn vrouw, die volgens hem echt eens moet stoppen met drinken.

In Antwerpen stap ik bijna meteen bij mijn ouders in de auto. Ze hebben eten en drinken voor me meegenomen. Mijn vader zit achter het stuur en vertelt dat de Wegluis weer eens bij de garage staat. Minder dan twee minuten na die mededeling en honderd meter voor de snelweg versnelt de auto voor ons. Van links komt er een andere auto aan. Vijf lange seconden kijken we hoe de wagens naar elkaar toe rijden, mijn vader trapt rustig op de rem, en de twee voertuigen raken elkaar alsof ze botsauto’s op de kermis zijn.
Voordat mijn moeder kan vloeken omdat we niet verder kunnen rijden, geven allebei de voertuigen weer gas. Rustig rijden ze naar de berm, waar ze achter elkaar gaan staan, zodat wij erdoor kunnen.
Belgen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten