zaterdag 17 oktober 2015

Prinses

'Op nummer twee vinden we een volwassen verhaal. Aan alle basiseisen van een goede
tekst is voldaan: de zinnen liepen, de opbouw was zeer okay en er was een handeling met
een licht conflictpunt. Ook was de jury blij dat er eindelijk eens niemand dood ging op het
einde. Dat, en het gevoel voor humor (dat was niet de bedoeling, red.) dat uit de tekst sprak, maakt dat we Marjolein (sic) van de Gender mogen feliciteren met de tweede plaats.'
- Ellen Deckwitz, juryrapport Write Now! Den Bosch

Ik klem mijn rechterarm om de romp van mijn dochter. Met de linker trek ik een jurk over haar hoofd, terwijl ze spartelt en krijst alsof ik de stof tegelijk met ons ontbijt uit de oven heb gehaald. Haar vingers klauwen in mijn blouse, gevaarlijk dicht bij de knopen. Als ze er weer één af weet te trekken, ga ik vloeken, dat zweer ik. Het kan me niet schelen dat elk pedagogisch boek zegt dat ik mijn onmacht daarmee bevestig. De schrijvers, meestal cum laude afgestudeerd, halverwege de vijftig en kinderloos, weten niet dat ik elke ochtend win. Mijn dochter is nog nooit te laat op school gekomen. Ook vandaag zal de kleuterjuf geen enkele reden hebben om te klagen, daar zorg ik voor.
De greep van mijn dochter verslapt. Ik pak haar pols en prop hem door de mouw. Haar langzamer of voorzichtiger aankleden is geen optie. Ze zal pas meewerken als we aan de keukentafel zitten, dus ik probeer dat punt zo snel mogelijk te bereiken.
Voordat ik mijn vingers om haar andere arm kan sluiten, verandert het geschreeuw in gejank. Lange, diepe halen, die onmogelijk uit dat kleine lichaam kunnen komen, weerkaatsen tegen de muren. In het begin vond ik ze zo verschrikkelijk dat ik meehuilde. De laatste maanden gaat het beter. Ik moet mijn dochter aankleden, zo simpel is het. Als ik tegen haar zou zeggen dat ze vandaag naakt naar school moest, zou ze ook brullen. Misschien zelfs harder.

Centimeter voor centimeter schuift de tweede mouw over haar huid. Mijn hersens bonken op het ritme van haar protest. Een zweetdruppel glijdt over mijn rug en laat een spoor achter voor de volgende. Uiteindelijk komt de gebalde vuist van mijn dochter tevoorschijn.
Ik haal opgelucht adem en zet een paar stappen achteruit, zodat ik kan zien of de jurk past.
Hij is roze, de kleur die haar wangen inmiddels ook hebben. De stof valt net over haar knieën. Het materiaal is luchtig en toch stevig genoeg om een eventuele valpartij te overleven. Mooi.
Nu is tijd voor de volgende stap: schoenen. Daar verheug ik me op. Ze zijn de afwerking van een outfit, de ondertoon in mijn stem, de boodschap tussen de regels door. Het juiste paar kan iemands mondhoeken naar boven duwen, las ik ooit. Het lijkt me heerlijk om mensen te laten glimlachen.
‘Zie je dat meisje?’ hoor ik een oudere dame al fluisteren. ‘Die sandaaltjes zijn beeldig. Ze passen precies bij haar kraagje. Ik houd van die koraalkleur.’
‘Inderdaad,’ zou haar vriendin zeggen, kijkend naar mij. ‘Waar zou de moeder ze hebben gekocht?’
Voordat mijn zwangerschap de twaalfwekengrens bereikte, had ik alle schoenen voor de eerste jaren in huis. Ik wist dat de ongeboren baby perfect was. De donor had ik gekozen op basis van zijn haar (blond, dezelfde tint als ik), intelligentie (een universitaire opleiding afgemaakt, net als ik) en neus (kort en klein, zoals die van mij). Mijn ouders weten niet dat ik zijn naam nooit heb gehoord. Ze denken nog steeds dat ik hem langer kende dan één nacht. Dat was makkelijker dan hun vertellen dat ik sinds mijn zestiende fantaseerde over de poppen die ik mijn kind zou geven. Als het meisje ouder was, zou ik haar laten zien hoe ze zelf kleren voor hen kon breien, zoals mijn moeder mij dat leerde. Rokken, blousejes, een trui voor in de winter…
Een scherpe pijn schiet door mijn jukbeen. De sandaal die ik net om de voet van mijn dochter schoof, ligt een meter verderop. Ze kijkt me nijdig aan, klaar om weer te schoppen.
‘Niet doen, verdomme!’ De vloek is eruit voor ik hem kan tegenhouden. Ik bevries. De buren gaan de kinderbescherming bellen, is mijn eerste gedachte. In de lift staren ze altijd naar me, niet beseffend dat ik het in de spiegelwand kan zien. Hun blikken drukken tegen de achterkant van mijn hoofd tot ik het moet buigen. Ze wachten al eeuwen op een excuus.
Dan adem ik uit. De kans is groot dat ze inmiddels oordoppen hebben aangeschaft. Waarschijnlijk hebben ze het woord niet eens gehoord. Zolang mijn dochter het niet onthoudt, is er niets aan de hand.
‘Houd je benen stil,’ zeg ik tegen haar, ‘anders zet ik je met een lege maag in de auto.’

Vijf minuten later zit ze op een keukenstoel en eet ze een vers afgebakken croissant. Ik borstel haar lange lokken. Ze zijn zo zacht dat ik mijn gezicht erin wil begraven. Vandaag laat ik ze los hangen. Haarlak zorgt ervoor dat ze zich niet uit model kunnen worstelen.
Ik wacht tot de croissant is verdwenen. ‘Moet je nog naar de wc?’
Mijn dochter schudt haar hoofd.
‘Ga toch maar. Ik wil niet dat je op school een ongelukje krijgt.’
Terwijl ze naar de gang loopt, sluit ik mijn ogen. Mijn moeder hoefde dat nooit tegen mij te zeggen. Ze gaf me alleen een stuk fruit en een duw richting de voordeur. ’s Middags kreeg ik een mok met thee en luisterde ze urenlang naar mijn verhalen. Af en toe stelde ze een vraag, zodat ik zeker wist dat ze oplette. Later ging ik op mezelf wonen en hielden we die gesprekken via de telefoon. Toen de bevalling voorbij was, belde ik haar meteen.
‘Het zou toch een jongen worden?’ vroeg ze, nadat ze me had gefeliciteerd met de geboorte van ‘je zoon Robin’ en ik haar corrigeerde.
‘Ze hadden het verkeerd gezien op de echo,’ zei ik en ik drukte een kus op het voorhoofd van de baby.

Een pakje sinaasappelsap en een koek verdwijnen in de prinsessenrugzak. Robin pakt een nieuwe croissant en stopt hem erbij. Eigenlijk wil ik hem met een servet in een boterhamzakje doen, maar over twee minuten moeten we in de auto zitten. Er is net genoeg tijd voor een laatste waarschuwing.
‘Kijk me aan,’ zeg ik.
Ze gehoorzaamt.
‘Doe geen gekke dingen. Trek je jurk niet omhoog. Laat je onderbroek nooit zien aan de juf of aan de andere kinderen, ook niet als iemand zegt dat het een spelletje is. Snap je dat?’
Robin zwijgt.
Ik laat me op mijn knieën zakken en pak haar schouders vast. ‘Dit is heel belangrijk.’
Maar dat begrijpt ze wel, denk ik. Ze weet dat het voor ons allebei het beste is als ze mijn dochter blijft.


Met dit verhaal won ik de tweede prijs in de Brabantse voorronde van Write Now! 2015 en een wildcard voor de finale. Ook zorgde dit verhaal ervoor dat ik mee mocht op het zomerkamp van Das Mag en is het gepubliceerd in De Twister.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten