woensdag 14 oktober 2015

Ontwaken

'De tweede prijswinnaar van Den Bosch viel niet alleen op door het originele vertelperspectief, maar ook door de vaardige verteller. [...] Het is heel slim geweest van de schrijver om dit nergens expliciet te maken. Pas halverwege het verhaal leg je als lezer zelf de connectie hoe het zit. De constante dreiging van komend gevaar maakt dit een heel spannend verhaal. [...] Soms was het taalgebruik een beetje archaïsch, zoals bij een zin als 'Ik ben onsterfelijk en dodelijk'. We willen zeker meer lezen van deze schrijver. De tweede prijs gaat naar 'Ontwaken' van Marjolijn van de Gender!'
- juryrapport Write Now! Den Bosch (niet lezen voordat je het verhaal hebt gelezen, ze verraden namelijk hoe het afloopt)

Feest. Dat is het eerste woord dat in me opkomt, gevolgd door muziek. De ruimte waar ik ben is lang en wordt verlicht in verschillende kleuren. Vervolgens zie ik de mensen, die stuk voor stuk hun best hebben gedaan om er zo belachelijk mogelijk uit te zien. Twee meisjes in een knaloranje jurkje en met vlaggen op hun wangen zetten me even op het verkeerde been, maar dan overtuigt een jongen in een doktersjas – compleet met infuuspaal – me ervan dat ik op een slechte avond wakker ben geworden.
Op dat moment verandert de muziek. Handen gaan de lucht in. Ik word omhoog geduwd en de jongen die me vasthoudt, brult vol overgave met de zangers en de ruim tweehonderd aanwezigen mee dat hij een helikopter heeft.
Ja. Het is inderdaad carnaval.

Het is pas één keer eerder voorgekomen dat ik iets van die onzin meekreeg. Dat was niet eens in een kroeg, zoals nu; ik bevond me in een huis tegenover de kroeg, helaas dichtbij genoeg om die Nederlandstalige pokkenherrie aan te moeten horen.
Ik houd juist van rust, van de splinters die als vonkjes van verbrand hout spatten. Ik geniet ervan om de gerimpelde handen van een man op leeftijd te verwarmen, ik luister graag naar zijn zachte stem die bij gebrek aan familieleden voor mij klinkt. Jongeren moet ik niet. Die vinden het leuk om mij uit te dagen en zeker als ze gedronken hebben, onderschatten ze mijn kracht.
Ik kijk om me heen. Eigenlijk is de bar te breed in de toch al smalle ruimte. De rij ervoor deelt de zaal in tweeën. Een groep jonge vrouwen, allen verkleed als militair met een blote buik, houdt plastic bekers omhoog om te voorkomen dat anderen ze afpakken of er wat ingooien. Bij enkelen glimt het voorhoofd van het zweet.
Ik was liever iets onschuldigs geweest. Een muis, bijvoorbeeld. Als ik moest verdwijnen, zou een doosje met gif voldoende zijn. Dan was het klaar, over, uit. Geen discussie meer mogelijk.
Maar zo is het nu eenmaal niet gegaan. Ik ben onsterfelijk en dodelijk, en daar moet ik mee leren leven. Al zou ik willen dat ik een contract zou kunnen tekenen waarin staat dat ik alleen ervaren mensen zonder overmoed en alcoholbehoefte wens te dienen.
Een stelletje komt binnen. De jongen is lang, het meisje verrassend klein. Haar haren krullen en rond haar neus heeft ze snorharen geschilderd. Hij draagt een muts in de vorm van een schildpad. Met hun jassen nog aan wringen ze zich door de grens heen, naar achteren, want de garderobe blijkt zich heel onpraktisch aan de andere kant van de ruimte te bevinden.
Nadat ze de overtollige ballast kwijt zijn en muntjes hebben gehaald, komen ze naar me toe.
‘Hé, Thomas,’ zegt de jongen.
Degene die me vast heeft, beweegt zijn opgeheven arm nog eens extra heen en weer. Ik sis van ergernis. Deze positie is een fantastische uitkijkpost, het is alleen jammer dat het geslinger me kotsmisselijk maakt. Ik probeer mezelf af te leiden door de decoratie aan het plafond te bewonderen. De dennentakken van Kerstmis hangen er nog. Ze zijn versierd met slingers en iemand is op het idee gekomen er confetti overheen te gooien.
‘Johan!’ Thomas haalt me omlaag. ‘Ik zei toch dat je me kon herkennen?’
‘Origineel hoor,’ zegt het meisje. Ze bekijkt het glitterpak dat hij draagt. Het verandert hem met behulp van de lichten haast in een discobal. ‘Je bent het eerste vuurwerk dat ik vandaag zie.’

Tot mijn grote spijt ben ik nog nooit vuurwerk geweest. Het lijkt me mooi om boven de wereld te zweven en uit elkaar te spatten, waarna mensen vol bewondering voor mij juichen en klappen. Je schijnt gedoofd te zijn voor je de grond raakt, het zou geen pijn doen. Ik heb nooit geweten dat ik in staat ben om lichamelijke pijn te voelen – al zegt dat niet veel, want ik had ook pas heel laat door dat het gebruikelijk is dat je protesteert voordat je in slaap wordt gedreven. Dat hoort bij ons ontembare imago.
Mijn eerste klus na die openbaring was een moeilijke. Ik danste op een kaars, die op zijn beurt weer op een verjaardagstaart stond. Na mij werden drie collega’s gewekt. Een kleuter hing boven me. Hij blies zo hard dat ik bang was dat zijn longen over me heen zouden vliegen. Uiteraard hield ik me aan de gewoonte, in tegenstelling tot de rest. Na talloze pogingen barstte de kleuter in tranen uit.
Kinderen vormen een uitzondering. Natuurlijk.

Thomas trekt een langwerpige, kleurrijke doos onder zijn glitterkostuum vandaan. ‘Ik heb op jullie gewacht,’ zegt hij.
Ik staar naar de afbeelding op de voorkant.
Dit is precies waarom ik een hekel heb aan jongeren.
Het zijn sterretjes.

Ik wil dit niet. Ik wil een waxinelichtje zijn, of desnoods een kampvuur op het strand waar al deze mensen omheen mogen dansen. Ik wil er gerust voor zorgen dat iedereen zo’n smerige sigaret kan roken, tien zelfs, geen probleem. Zolang ik dit maar niet hoef te doen.
Het is niet mijn schuld, dat weet ik. Mensen roepen het over zichzelf af. Zij zijn degenen die mij wekken. Ik voer alleen mijn taak uit.
Jammer dat die gedachte mijn gevoelens niet uitschakelt.
‘Stop die dingen weg,’ fluister ik tegen Thomas, hoewel ik weet dat hij slechts een zacht gesis hoort.

Alsof die woorden een teken zijn, haalt hij alle stokjes tegelijk uit de verpakking. ‘Nu gaat het echte feest beginnen,’ zegt hij opgewonden.
De dennentakken aan het plafond zijn kurkdroog.
Tergend langzaam brengt hij me naar de hand vol sterretjes toe.
En dan raak ik ze.


Dit verhaal won de tweede prijs in Brabantse voorronde van Write Now! 2013. Het wordt vaak vergeleken met Prinses, waarin ik je ook op het verkeerde been zet, maar eigenlijk doe ik dat in elk verhaal. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten