donderdag 15 oktober 2015

Groene murene

'Lekker eigenwijs verhaal met een verrassend einde. De hoofdpersoon is opzettelijk wat onsymphatiek, past in het verhaal.'



Annewil zoog zo hard aan haar sigaret dat ze de rook in haar oogkassen voelde. Haar zicht werd troebel, waardoor het water dat haar omringde eerder grijs leek dan helderblauw. Een kleur die beter bij haar paste, vond ze zelf, al voelde ze zich nog steeds niet op haar gemak in het oceaangedeelte van de dierentuin.
‘Het is verboden om hier te roken,’ zei een verzorger verveeld.
Viezer zou het er niet van worden, dacht Annewil. Ze zette drie passen naar voren, zodat ze naast haar echtgenoot stond. Hij had zijn gezicht bijna tegen het groen uitgeslagen en met vegen bedekte glas gedrukt; zijn bril balanceerde op de rand van zijn neus, die elk jaar leek te groeien. Annewil nam een laatste teug, gooide de sigaret op de grond en trapte hem uit met haar blokhak.
‘Ik denk dat het tijd is om naar huis te gaan, schat,’ zei ze.
Hij reageerde niet.
Ze pakte zijn arm. ‘Karel,’ zei ze luider. ‘Over tien minuten sluit het park.’
‘De groene murene is een solitair dier. Die voelt zich niet goed in dit gezelschap.’ Haar echtgenoot wees naar omhoog. Een geelbruine, lange vis zwom met venijnige staartslagen naar hen toe. Het dier wierp Annewil een vuile blik toe en even was ze beledigd, tot ze zag dat haar echtgenoot dezelfde behandeling kreeg. Misschien zou zij ook boos kijken als haar naam beweerde dat ze groen was als de lente en haar uiterlijk meer weghad van de humuslaag die zich in de herfst vormde.
‘Volgens mij redt dat beest zich prima,’ zei ze.
‘Hoe weet jij dat nou? Je hebt niets met vissen.’
‘Ik vind ze erg mooi.’ Zolang ze klein en kleurrijk waren.
‘Jij praat niet met ze.’
‘Ik geloof niet dat ik jou de afgelopen uren veel heb horen zeggen,’ snauwde Annewil.
Eindelijk draaide haar echtgenoot zich naar haar toe. Die vervloekte bril wierp een schaduw over zijn gezicht. ‘Vissen hebben geen woorden nodig. Ze communiceren door trillingen. Als ik mijn hand op het glas leg, voelen ze wat ik wil vertellen.’
‘Dat zal best. Nu wil ik weg.’
‘Je bent ongeduldig.’
‘Vind je het gek? Je wilt hier elke dag langer blijven en het wordt steeds moeilijker om je mee naar huis te krijgen. Het is verdomme al etenstijd geweest.’
‘Jóúw etenstijd is al geweest.’

Verwijt op verwijt, dacht Annewil. Hoelang geleden was het dat hij haar zijn affectie had getoond? Misschien meer dan een jaar. Het was de leeftijd, had hij gezegd, die hem de lust had ontnomen. Hij roemde haar meer om haar kookkunsten dan om haar borsten, die ze had laten liften in een poging om indruk op hem te maken.
‘… met Nel kwam ik hier ook altijd,’ drong de stem van haar echtgenoot door haar gedachten heen. Ze hadden te lang geduurd. ‘Ze droeg die ketting met het christelijke kruisje om haar nek en ze bloosde altijd, of het nou van blijdschap, plezier, verdriet of woede was.’
Annewils eigen wangen waren even koud als het glas dat hun wereld van de vissen scheidde.
‘Nel zeurde nooit over etenstijd,’ zei haar echtgenoot.
Genoeg. Ze wist dat ze niet aan zijn vorige vrouw kon tippen, maar dat hoefde hij er niet wéér in te wrijven. ‘Nel is dood,’ beet ze hem toe.
‘Niet waar.’

Er waren mannen die baarden kweekten wanneer ze ouder werden. Ze gaven advies – vaak waren het psychiaters – en op de buurtbarbecue kregen zij de beste stoelen. Toen Annewil zich aanmeldde op een datingsite en Karel leerde kennen, had ze de indruk dat dat zijn lot was. Hoe had ze kunnen bedenken dat hij in een kind zou veranderen?
Kies dan, zou ze willen schreeuwen. Kies dan godverdomme of je de dagen wilt doorbrengen op de plek waar misschien nog huidschilfers van je vorige leven liggen of dat je met mij op een terras wilt zitten met een fles rosé tussen ons in.
Maar ze durfde het niet. Elke keer dat ze zich zijn reactie voorstelde, was die hetzelfde.
Haar echtgenoot tikte met zijn horloge tegen het glas. ‘Nog twee minuten.’
‘En dan gaan we naar huis?’
‘Dan is het etenstijd.’ Hij zwaaide naar de verzorger, die Annewil een meelevende glimlach toewierp. Tenminste, ze ging ervanuit dat die meelevend bedoeld was; hij kon net zo goed een uiting zijn van leedvermaak. Hij had de aquariumtunnel verlaten voor ze hem nogmaals kon peilen.

Ze sloot haar ogen en dacht aan aardappels. Gekookte aardappels, drijvend in de jus. Ze zou die eten op de bank – op de bank van haar echtgenoot, uitgezocht door Nel – en ze zou haar blik strak op de televisie richten om de blauwe, met zeesterren bedekte stof niet te hoeven zien. Misschien moest ze de overgebleven jus uit de pan op het meubelstuk gooien, zodat er eindelijk een excuus was om het te laten vernietigen.
Ja, dat zou ze doen. Het was tijd dat ze voor zichzelf opkwam. Ze opende haar ogen en dwong haar droge lippen van elkaar. Voordat ze een woord kon uitspreken, zag ze dat de tunnel leeg was.
In plaats van het ferme ‘en nú gaan we’ kwam er een schrille ‘Karel?’ uit haar mond.
‘Mevrouw?’ De verzorger liep de tunnel weer in. Zijn glimlach was verdwenen.
Annewil probeerde niet in paniek te raken. ‘Heeft u mijn man gezien?’
‘Uw man?’
‘Hij stond hier net nog, alleen is hij… verdwenen.’
‘Er verdwijnt hier van alles,’ zei de verzorger, ‘en er komt nog meer bij. Zo is er bijvoorbeeld die groene murene. De ene dag hadden we geen murene, die erna opeens een stevig, gezond exemplaar. Dat is het leven.’
‘Die murene interesseert me geen ene…’ Het glas. Ze zag het omdat ze onbewust naar de vis zocht. Het was even schoon als haar eigen ruiten.
Nu kon ze de vissen pas echt zien. De kleine, gele exemplaren deden haar denken aan de kanaries die ze als kind had gehad. Ze weken uit en maakten plaats voor twee alen, die als een mislukte tatoeage om elkaar cirkelden. De ene had vreemde, roze vlekken op de kop, ter hoogte van de wangen, en een litteken in de vorm van een plus onder de bek.
De ander keek Annewil een moment lang recht aan en ze verstijfde. Om zijn ogen zaten cirkels, die door een rechte streep met elkaar werden verbonden.
‘Wat zei ik?’ riep de verzorger. ‘Twéé murenes!’
‘Dit kan niet,’ fluisterde Annewil. Voor de zekerheid, alleen om zichzelf te overtuigen van haar gelijk, legde ze haar vingers tegen het glas. Een schok knalde door haar zenuwen en tegelijk met haar gil en een vreemde vrouwenlach hoorde ze een akelig bekende stem in haar hoofd.
Eindelijk.

Dit verhaal won de veertiende prijs (van 259 inzendingen) bij de Fantasy Strijd Brugge 2014 en werd gepubliceerd in de bundel
Fantastisch Strijdtoneel IV. Meer over dit verhaal lees je in deze blogpost

Geen opmerkingen:

Een reactie posten