dinsdag 13 oktober 2015

Een betoog

'Dan de tweede plaats. Het vertelperspectief hier is gedurfd en goed uitgevoerd: een kater genaamd Pootjes (maar door zijn eigenaar veelal aangeduid als Kankergezwel, Kreng en Kutkat) ligt zwaargewond op de weg nadat hij is aangereden door een auto. Vanaf het asfalt kijkt hij terug op allerlei gebeurtenissen die ertoe hebben geleid dat hij daar ligt, uitgekotst door zijn eigen baasje, stervend en van God en iedereen verlaten. Het verhaal dat hij vertelt is een pleidooi voor zijn eigen onschuld, en de lezer kan niet anders dan hem geloven. Sterker nog: de lezer gaat stiekem ook een beetje van dit Kankergezwel houden. Hoewel het hier en daar wat strakker had gekund, nog wat meer ingekort, waren we erg onder de indruk. Marjolijn van de Gender: gefeliciteerd met je tweede plaats.'   
- juryrapport Write Now! Eindhoven*

Stelling:
Ik ben onschuldig.

Vanaf mijn ongemakkelijke positie op het asfalt kan ik Daniël met zijn wang tegen het raam zien leunen, alsof hij zijn huid de buitenlucht wil laten proeven. Hij kijkt alweer foto’s uit de tijd waarin hij zonder shirt rondliep en altijd werd omringd door vrienden. Het kan ook zijn dat hij ene God om hulp smeekt; dat zijn de enige bezigheden die hem interesseren.
Als ik kon praten, had ik hem allang verteld dat hij moet stoppen met dat gezeur tegen God en ‘gewoon’ naar een plastisch chirurg moet stappen. Maar goed, ik kan niet praten. Jammer, want ik had hem het verschil tussen een kat en een kater ook graag uitgelegd. Bovendien had ik dan de mogelijkheid gehad om te vertellen dat ik er niets aan kan doen dat hij constant verzorging nodig heeft, nooit onafhankelijk zal worden en in de steek is gelaten door zowel zijn vrienden als zijn bloedmooie vriendin.
Het taalprobleem is niet de enige barrière tussen ons. De voordeur, waaruit het kattenluik is verwijderd, vormt nog een grotere. Ik mag niet meer naar binnen en Daniël durft niet meer naar buiten. Ik ben bang om weer weggestuurd te worden, hij is bang om te worden aangestaard. Zijn huid is zo gevoelig dat zelfs blikken pijn doen.
Geloof me, dat is niet mijn schuld. Echt niet.

Er zijn twee argumenten die dat feit ondersteunen:
Een: ik ben niet degene die Daniël heeft gevraagd om mijn leven te redden.
Twee: ik was op de zolder in slaap gevallen, terwijl de brand in de huiskamer ontstond. Het is dus onmogelijk dat ik hem heb veroorzaakt.

Eerste argument:
Mijn ex-baasje had Daniël twee jaar geleden een kaart in de handen gedrukt. Een mooie kaart, gemaakt van fotopapier, met een glanzende afbeelding van mij op de voorzijde, verstopt in een envelop. Ze verdween vrijwel meteen; waarschijnlijk verborg ze zich om zijn reactie te kunnen zien.
Op het moment dat Daniël de envelop opende, stond ik halfbevroren met mijn neus tegen de glazen achterdeur van het huis gedrukt, in de hoop dat iemand me zou binnenlaten. Ik voelde me verbonden met die jongen. We wisten allebei dat ons leven voorbij was en toch koesterden we elk lichtpuntje. Ik kon me warmen aan het raam. Hij kon een envelop openen en heel even denken dat er iets nuttigs in zou zitten. Helaas was de klap voor ons allebei groot toen bleek dat de koude windvlaag hard aankwam na een zucht van warmte.
Ik vind dat ik een mooi hoofd heb en dat mijn lijf er ook best mag wezen, zeker sinds ik zo ben afgevallen, maar daar dacht Daniël anders over. Met een schreeuw liet hij de kaart vallen. Hij brulde iets over ‘die kutkat’, ‘dat kankergezwel’ en ‘het tyfuskreng’. Dat waren nog de meest brave benamingen. Ik kan het niet aan om me de gehele scheldtirade die volgde voor de geest te halen. Niet nu.
Daniël vindt dat hij met ziektes mag schelden omdat zijn leven is verkloot, omdat hij zelf in een soort ziekte is veranderd. Van mij mag hij zijn gang gaan; ik vind ‘kutkat’ een grotere belediging dan ‘kankergezwel’, aangezien ik best op een wortelkleurige, behaarde tumor leek in de tijd dat ik elke dag te eten kreeg. Ik ben echter geen kat. En ik heb logischerwijs ook geen kut.
Mijn naam is Pootjes (hoewel ik niet weet of ik ze alle vier nog heb), ik ben een kater en ik heb verrassend genoeg een lul. Maar ja, ‘lulkater’ klinkt minder lekker dan ‘kutkat’, dus ergens snap ik Daniëls woordkeus wel.

Zijn zusje Kitty – dat was mijn baasje – had een andere manier om haar ongenoegen over mij te uiten. Zij zette mij op straat en verwijderde de kattenluiken eigenhandig uit de voor- en achterdeur, omdat ik haar broer zoveel ellende had bezorgd. Wat ik dus niet heb gedaan, voor de duidelijkheid. Ze wilde dat mijn leven even snel was afgelopen als dat van Daniël.
Maar dat was het niet. Ik heb altijd graag vogeltjes gevangen – geen roodborstjes en zo hoor, alleen van die lelijke mussen en ander grijs, deprimerend spul – en nadat ik klaar was met snacken en spelen dumpte ik die beestjes op de stoep bij mijn familie. Voor ik eruit werd getrapt deed ik dat vooral om de reactie van de kinderen te zien. Kitty begon meestal te huilen. Ze ging haar broer halen, die op zijn beurt een schop pakte. Het tweetal begroef het vogeltje in het park, want in de keurige achtertuin was geen plaats voor lijkjes.
Tegenwoordig vang ik vogels om te overleven. Ik dump ze nog steeds op dezelfde plaats, maar er is niemand meer die een leuke reactie geeft of ze opruimt. Uiteindelijk rotten ze weg, net als ik. Net als Daniël.
Twee jaar geleden was die jongen gelukkig. Hij was de trotse eigenaar van een goddelijk lijf, spaarde voor het halen van een rijbewijs en kon niet van zijn vriendin afblijven. Dankzij een goede cijferlijst keek hij niet op tegen zijn naderende eindexamens.
Hij wist al precies wat hij daarna wilde gaan doen, zo legde hij Kitty tijdens de zoveelste begrafenis uit, hij wilde Communicatiewetenschap studeren in Amsterdam.
Voorzichtig probeer ik een poot te bewegen. Een scherpe pijn schiet door mijn lijf en ik kerm het uit. Warm bloed streelt mijn vacht. Daniël zit nog steeds voor het raam, met zijn gezicht naar me toe. Onze blikken kruisen elkaar.
Ik wil dat hij begrijpt dat ik hem niets heb misdaan. Natuurlijk was ik niet het perfecte huisdier, maar het is niet mijn schuld dat zestig procent van zijn lichaam is verbrand.

Op een warme zomermiddag was Kitty alleen thuis. Ze was verantwoordelijk voor het halfjaaroude, lelijke en vooral vaak krijsende zusje dat Daniël en zij hebben. Aangezien ze weer eens kwaad op me was, had ik mij op de zolder verstopt. In de wasmachine welteverstaan, omdat het daar heerlijk rook. Het was mijn favoriete slaapplek. Na een paar uur in de wasmachine kon ik niet stoppen met aan mezelf te ruiken. Wat mis ik dat gevoel van schoon zijn.
Dit hoort eigenlijk bij mijn tweede argument, maar ik vrees dat ik niet veel tijd meer heb. De pijn wordt heftiger. Automobilisten ontwijken me nu nog. Straks zal er eentje komen die me over het hoofd ziet. Voordat het onvermijdelijke gebeurt, wil ik mijn verhaal hebben verteld. Na de dood wil ik rust; iemand moet worden overtuigd van mijn onschuld, iemand moet de last van me overnemen. Dit verhaal kan ik niet langer met me meedragen.
Om terug te gaan naar hetgeen waar het om draait: ik was dus in de wasmachine gekropen, heerlijk tussen de lakens, dekens en onderbroeken. Het duurde niet lang voor ik in slaap viel.

Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik niet wakker werd van de vlammen, zelfs niet van de rook. Nee, ik ontwaakte doordat een zekere jongen me aan mijn nekvel uit de wasmachine sleurde. In een reflex sloeg ik naar hem en mijn nagels reten de huid van zijn rechterwang uiteen.
‘Rotbeest!’ siste Daniël, extra hard in mijn vel knijpend. ‘Als het aan mij ligt, brand je hier dood, maar Kitty wil het huis niet verlaten voor jij in veiligheid bent. Ze heeft de baby in haar armen en staat in een brandende hal, godverdomme.’
Dat was pas het moment waarop ik de vlammen zag. Ik besefte dat ik niet genoeg lucht binnenkreeg. Mijn longen verschrompelden.
Zweetdruppeltjes liepen over Daniëls verhitte gezicht. Ze prikten waarschijnlijk gemeen in de wond die ik had veroorzaakt.
Later zou ik horen dat zijn zusje hem in paniek had opgebeld – dat was ik helemaal vergeten, misschien door de klap, dit feitje is bij dezen mijn derde argument – en dat hij over de schutting was geklommen om haar in veiligheid te brengen. Niet uit heldhaftigheid; hij was de sleutel van het huis vergeten. Dat is iets wat hij zichzelf nooit heeft kunnen vergeven.
Had ik iets te maken met het feit dat zij hem had gebeld? Inderdaad, nee.
Daniël wist me naar de eerste verdieping te dragen. Daar was geen zuurstof meer aanwezig.
Mijn longen waren voor mijn gevoel vergaan tot as. In doodsnood sprong ik uit zijn armen en wist naar de begane grond te rennen, waar ik via het kattenluik naar buiten glipte. Daniel paste daar niet doorheen en de voordeur zat op slot. Pas minuten later wisten twee brandweermannen hem uit het huis te krijgen.
Samen met het ambulancepersoneel legden ze Daniël op een brancard. De glimp die ik van zijn gezicht opving, zal ik nooit vergeten. Het zag eruit alsof het was gevild. Delen van Daniëls huid waren rood en rauw; zijn vel leek te groot voor zijn lichaam en omwikkelde hem losjes, als een mislukte poging om een cadeautje in te pakken.
Inmiddels was Kitty naar buiten gekomen, gevolgd door een brandweerman die de huilende baby vasthield. Ze had een emmer water bij zich, Joost mag weten waar ze die vandaan had gehaald, en gooide hem over Daniël leeg voor iemand haar tegen kon houden. Zijn geschreeuw weergalmt nog altijd in mijn hoofd.
Het koude water zorgde ervoor dat zijn kleren met de onderliggende huid versmolten. Vandaar die zestig procent. Zonder Kitty’s actie zouden de verwondingen van Daniël veel minder ernstig zijn geweest.

Tweede argument:
Na de brand werd het huis opgeknapt. De politie voerde veel gesprekken met de familie.
Tijdens zo’n serieus praatje ving ik op dat de brand was veroorzaakt door een smeulende sigaret.
Ik rook natuurlijk niet. Het lijkt me vrij logisch dat de baby ook geen sjekkies heeft gedraaid.

Conclusie:
We zijn ruim twee jaar verder. Het is makkelijk om een kater overal de schuld van te geven, nietwaar? Ik kon me niet verdedigen, ik kon geen ruzie zoeken, in tegenstelling tot de echte schuldige, die tot het uiterste ging om de leugen geloofwaardig te houden. Vlak na het politieonderzoek belandde ik op straat. Ik vermagerde. Mijn vacht hing even los om me heen als Daniëls huid om zijn lichaam had gedaan. Het eerste jaar durfde ik geen honderd meter weg te lopen. Al die maanden hoopte ik dat ik nog zou worden binnengelaten. Daarna besefte ik dat het voorbij was. Vandaag ben ik teruggekomen, omdat Kitty door haar ouders naar Amsterdam wordt gebracht. Daar gaat ze Communicatiewetenschap studeren.
Ik vroeg me af of haar ouders mij weer wilden opnemen in het gezin. Eentje vertrekt, een ander komt daarvoor in de plaats, zoiets.
Een kater heeft niet zoveel hersens, dus had ik al mijn concentratie nodig voor dat vraagstuk. Ik keek niet uit bij het oversteken. De gierende remmen van de auto pijnigden mijn oren minder dan het geschreeuw van de net verbrande jongen. De klap was minder groot dan het contrast tussen warmte en kou. Toch lig ik nog steeds op het asfalt, bijna verlamd en bedekt met bloed. Het is een straf, dat weet ik zeker. Maar ik ben onschuldig.
Op dat moment gaat de voordeur van het huis open. De plaats voor het raam is leeg. Daniël staat in de deuropening, aarzelend. In zijn armen heeft hij een deken. Hij loopt op me af, voorzichtig en toch snel. De geur van de wasmachine komt me tegemoet.
In gedachten hoor ik hem weer schreeuwen. Kankergezwel. Kreng. Kutkat.
Dan knielt hij naast me en legt zijn met littekens bedekte hand op mijn beschadigde vacht. De deken drapeert hij over mijn rug en poten. Daniël gaat me helpen.
Door dat gegeven begin ik ondanks alles te spinnen. Ik durf te denken dat zijn scheldwoorden heel misschien niet aan mij waren gericht. Heel misschien heeft hij mijn stelling al die tijd begrepen.


Dit is mijn eerste korte verhaal. Ik schreef het in oktober 2011 en het won de tweede prijs bij de voorronde van Write Now! 2012 in Eindhoven. Het is tof om het verschil te zien tussen dit verhaal en Ontwaken, dat ik een jaar later schreef, of Façade, dat ik twee jaar later schreef, of Prinses, dat dit jaar de tweede prijs in de Brabantse voorronde won.

* Dit juryrapport staat niet meer online. De organisatie was zo lief om het naar me te mailen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten