dinsdag 13 januari 2015

Autopech

De auto waarin ik rijd, is een hartstikke leuke Ford, die ook wel bekendstaat als ‘De Wegluis’. De Wegluis past in elk parkeervak en geeft je op de snelweg een heus achtbaangevoel. Je kunt zelfs doen alsof het een Hummer is: op achterafweggetjes kan hij prima door kuilen en shake je zelf lekker mee, alsof je aan het dansen bent. Je rijdt niet ín deze auto, je rijdt mét deze auto.
Maar het belangrijkste: hij heeft nooit wat. Het is de betrouwbaarste auto die mijn ouders ooit hebben gehad, zei mijn moeder gisteren nog. 


Een luis.

De Wegluis en ik reden onze straat in. Midden op de weg stond een busje zonder bestuurder en het was te smal om te keren, dus met een zucht zette ik mijn vriend aan de kant. Het duurde niet lang voordat de eigenaar van het busje ons spotte. Een bouwvakker. Hij stapte in, reed naar me toe en draaide zijn raampje open.
‘Zat je op mij te wachten?’ Een buitenlands accent. ‘Je kon er gewoon langs, hoor.’
Ik legde vriendelijk uit dat zelfs de Wegluis daar niet langs kon en dat ik net mijn rijbewijs had, dus dat ik dat zeker niet ging proberen. Ondertussen had ik de motor maar uitgezet, want het duurde nogal lang.
Hij begon een verhaal over een andere vrouwelijke beginnende bestuurder die hem eens had aangereden (‘Haar hele neus – zó langs de zijkant van diet boesje!’) en nadat ik had geknikt en beleefd had gelachen, vroeg hij waar ik woonde.
‘Oh, ergens in deze straat.’ Het is een grote straat en het was een oudere man.
‘Dan zie ik je misschien nog,’ zei hij, waarna hij zijn raampje dichtdraaide en vertrok.
Ik beschouwde het als het zoveelste avontuur en ik besloot dat ik naar huis wilde. Ik startte de Wegluis, die begon te schokken en te gillen. Het lampje met het prachtige oliekannetje erop gloeide.
Ik had autopech, ongeveer twintig meter voor mijn eigen voordeur.

‘Binnen een uur is de ANWB er,’ beloofde de vrouw die opnam toen ik het noodnummer dat in de auto lag belde. Het was kwart voor vijf. ‘Tien minuten van tevoren bellen ze je.’
‘Oh,’ zei ik, ‘dus ik kan gewoon in mijn eigen huis wachten tot ze er zijn?’
‘Ja hoor.’
Dus ik liet de Wegluis achter, half in een parkeervak en half op de straat, met gloeiende alarmlichten. Ik hoopte dat de mensen, die dertig mogen rijden en vaak zestig rijden, de buitenspiegel heel zouden laten.




Om half zeven kreeg ik telefoon van de wegenwacht: ‘Ik stao bij uwe auto.’
Inmiddels stortregende het, dus ik sprintte met mijn jas aan en mijn rijbewijs in mijn zak naar De Wegluis. Van pure ellende had hij zijn eigen alarmlichten uitgeschakeld. Toen ik de man van de wegenwacht wilde laten zien dat ik in elk geval in staat was om de deur te openen, brandden zijn lichten niet. Hij begroette me niet met zijn gebruikelijke geluidje. De deur ging niet van het slot.
Terwijl ik me afvroeg waarom mijn Wegluis me op alle mogelijke manieren in de steek liet, maakte de man van de wegenwacht de deur handmatig open (ik vroeg me al eeuwen af waar dat sleutelgat nou voor was).
We openden de motorkap. De man van de wegenwacht vertelde dat het waarschijnlijk het hart van De Wegluis was, dat ‘ernstig verzwakt’ was.
Je kunt je voorstellen dat ik me kapot schrok. Je zou maar horen dat het hart van één van je dierbaren zo ernstig verzwakt was dat het ermee was opgehouden. Gelukkig had de wegenwachtman het juiste gereedschap bij zich. Met wat hulp van startkabels reanimeerde hij De Wegluis.
Vervolgens startte hij hem. Uiteraard was het knaloranje olielampje niet meer te zien en gebeurde er niets geks. Dat zal wel één of andere geheime boodschap zijn geweest die alleen voor mij was bedoeld.
Zowel De Wegluis, de wegenwachtman als ik was inmiddels doorweekt, dus de reddende engel hield het kort: ik moest nú een lang stuk met de auto gaan crossen, zodat het hart* zichzelf kon opladen, en we moesten binnenkort langsgaan bij de garage.
Eén van mijn vriendinnen, die ik op de hoogte hield, maakte het advies wat leuker: ‘Oei, goed uitkijken dat hij niet afslaat, want dan staat hij weer stil.’

Een gevoelige foto van de reanimatie.
Inmiddels kan ik met trots melden dat ik bijna zestig kilometer heb gereden zonder De Wegluis te laten afslaan. Een persoonlijk record. Een beetje jammer dat ik daarvoor wel anderhalf uur de straat moest blokkeren en de wegenwachtman in de regen moest dwingen, maar goed, je moet er wat voor over hebben om je autoskills te verbeteren.

*= natuurlijk gewoon de accu, maar ik houd van drama.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten