donderdag 8 mei 2014

Tegenpolen (tweede deel en slot)

Als de trein weer rijdt, kijk ik naar de man naast me. ‘Zulke dingen heb ik altijd.’
‘Sorry, ik heb het verhaal niet gevolgd,’ zegt hij met een knik naar zijn kleinkinderen, die over elkaar rollen.
Ze had in de gevangenis gezeten. Voor de tiende keer.’
‘O,’ zegt hij. ‘Voor stelen, of zo, toch?’
‘Vaker voor openstaande boetes.’
‘Tja, je zou je dan afvragen waarom zij die boetes krijgt.’
‘Inderdaad,’ zeg ik en ik pak mijn laptop om over haar te schrijven. Het is het fijnst om dat meteen na een gesprek te doen, omdat de inhoud dan blijft hangen en je nog weet hoe degene tegenover je precies formuleerde.

‘Tien keer in de gevangenis,’ zegt de man halverwege de vierde alinea hardop.
‘Ja. Moet je nagaan: ik ben onderweg naar de universiteit en zij komt net uit de gevangenis.’
‘Zit je in zes vwo?’
Gelukkig niet meer. ‘Propedeuse.’
‘Waar studeer je?’
‘Leiden,’ zeg ik.
Zijn ogen fonkelen. Hij draait zich naar me toe en laat zijn armen langs zijn lichaam hangen. Een open houding. ‘Wat?’
‘Taalwetenschap.’ Ik bereid me voor om uit te leggen wat het is, maar dat is niet nodig. De fonkeling wordt glimmender.
‘Ik ben ook Taalwetenschapper!’
Dat kom ik niet vaak tegen.
‘Eerst heb ik in Tilburg gestudeerd en vervolgens in Nijmegen,’ vertelt hij. ‘Maar hoe is Taalwetenschap? Wat voor vakken heb je?’
Ik leg uit wat ik nu volg en welke richting ik wil gaan doen.
‘En daarna?’ vraagt hij.
‘Misschien word ik journalist. Of iets met politiek.’ Dat laatste heb ik pas recent bedacht, toen ik moest stemmen en ik ontdekte dat ik het eigenlijk met geen enkele partij eens was.
‘Dat kan heel goed samengaan! Mijn dochter – de moeder van die twee daar – is bijvoorbeeld actief in de Provinciaalse Staten. Ze heeft het ontzettend druk. En haar man heeft een boek geschreven over iemand van televisie. Iemand die heel leuk kon praten, maar niet kon schrijven.’
‘Een talige familie,’ zeg ik.
‘Zeker. En dan heb ik nog een andere dochter, die ontzettend goed is op school. Gymnasium, veel te veel vakken, natuurkunde. Maar vooral heel sterk in de talen. Toevallig ben ik laatst met haar in Leiden geweest, bij de voorlichtingen Rechten en Economie, Koreaans en Geneeskunde.’
‘Dat is breed.’
‘Ze kan net niet cum laude slagen, want ze heeft een zes voor gym.’
‘Nutteloos rotvak,’ zeg ik.
‘En in wiskunde is ze ook niet goed. Ze is een niveau omlaag gegaan. Maar ja, als je geen wiskunde kunt, doe je er ook niets voor.’
Mijn levensverhaal. Al was ik verder ook niet zo geniaal.

‘Je wilt niet weten hoeveel een celstraf ons kost,’ zegt de man.
‘Ik weet het. Bergen met geld.’
‘Wij kunnen ons het leven van zo’n crimineel niet voorstellen. En vaak is dat geld nog weggegooid ook.’
‘Soms niet,’ zeg ik en ik vat het verhaal samen van een man die ik een paar maanden geleden op het station tegenkwam. Iemand die jarenlang drugs had gebruikt en crimineel was geweest, en nu is afgekickt en voorlichting geeft op scholen. ‘En dat verhaal is echt waar, want diezelfde dag vertelde mijn nichtje dat hij bij haar in de klas was geweest.’
De ogen van de man fonkelen weer. ‘Nee.’
‘Ja.’
‘Er zijn af en toe zulke succesverhalen,’ zegt hij. ‘Maar soms…’
‘Zolang ze zelf niet inzien hoe ze hem kunnen verbreken, blijven ze in die cirkel.’
‘Precies.’

‘Heb je nog tips voor die twee boeven?’ vraagt de man drie zinnen later. Hij knikt naar zijn kleinkinderen.
‘Niet in de gevangenis komen,’ zeg ik met een blik op het tweetal. De jongste kijkt uitdagend terug. ‘En niet stelen, want blijkbaar is de prijs hoger dan de opbrengst.’
De man schiet in de lach en ik doe met hem mee.
‘Ik neem ze mee naar Madurodam,’ vertelt hij. ‘De oudste is ontzettend goed in voetbal en hoogbegaafd. Je wilt niet weten hoeveel problemen hij op school heeft.’
‘Later kan hij veel bereiken,’ zeg ik.
‘Dat durf ik niet te zeggen. Het kan ook enorm foutgaan. Veel van deze gevallen gaan fout. Zijn ouders hebben het druk, school interesseert hem totaal niet…’
We zwijgen. Ik weet niet goed hoe ik moet reageren.
‘De jongste is vrolijk dom,’ zegt de man opgewekter. ‘Die loopt achter me aan. Een heerlijk joch.’
‘Dan kan je zo zien,’ beaam ik.
We kijken hoe hij zijn broer uitdaagt. Op het moment dat die erbovenop slaat, grijpt de man in. ‘Als één van jullie liever hier wil zitten, kan dat,’ zegt hij.
Maar dat willen ze niet. Ze pakken elkaar vast en knuffelen elkaar om te laten zien dat ze prima naast elkaar kunnen zitten en passerende treinen kunnen bekijken.
‘Ze doen alles met en voor elkaar.’ De man richt zijn aandacht weer op mij. ‘Heb jij broers of zussen?’
‘Een broer. Twee jaar jonger dan ik.’
‘Dat zal ook leuk zijn geweest. Kunnen jullie goed met elkaar opschieten?’
‘Wij hadden daar ook zo kunnen zitten,’ zeg ik.

De man vertelt over zijn eigen jeugd. Vijf jongens. Zijn vader was schooldirecteur. ‘Heel anders dan die van die criminelen, waarschijnlijk.’
‘Ja, het is raar dat sommige mensen al een achterstand hebben door het milieu waaruit ze komen.’
Hij vertelt dat hij met zijn dochter van Moskou naar Tokyo is gegaan. Per trein. Daarna zijn ze door Mongolië getrokken. ‘Ik reis veel. Vooral landen die niet veel mensen zien.’
‘Fantastisch,’ zeg ik. Later ga ik dat ook doen.
‘Een oude vent kan dat. Laatst ben ik ook naar Denemarken geweest, Kopenhagen. Maar ja, veel anders dan de voorbereidingen voor het Songfestival was daar niet te zien.'

De kinderen verdringen zich voor hun raampje. Er rijdt een dubbeldekker langs en dat is hun hoogtepunt van de afgelopen vijf minuten.
‘Misschien neem ik ze nog mee naar het Omniversum,’ zegt de man. ‘Dat is een eind lopen en dan zijn ze goed moe als ze thuiskomen.’
‘Het Universum is leuk, ja.’
‘Het Universum is boven ons.’
Ik lach. ‘Ja, dat doe ik altijd fout. NEMO in Amsterdam noem ik ook altijd naar die vis.’
‘Een leuk museum.’
‘Naturalis is ook leuk,’ zeg ik, denkend aan de musea waar ik op die leeftijd ben geweest.
‘Dat klopt, dat hebben we al gezien.’
We belanden in een gesprek over taal, over ‘hun hebben’ en over literatuur. Het gaat over wetenschappers en het staat in schril contrast met de woorden die ik uitwisselde met de vrouw uit de gevangenis.
Dan rijden we het eindstation binnen.
‘Bedankt voor je gezelschap,’ zegt de man. ‘Jongens, willen jullie meekomen of blijven zitten? Als jullie je niet gedragen, mogen jullie in de trein blijven.’
‘Ze gedroegen zich prima!’ zegt een oude vrouw verdedigend. Ze zat voor de kinderen. ‘En ze waren ook helemaal niet druk, of zo.’ Er ligt een verwijt in haar stem. Iemand die de situatie niet kent en een mening heeft.
De man en ik wisselen een blik.
‘U ook bedankt voor het gezelschap,’ zeg ik, terwijl ik opsta. ‘En heel veel plezier.’
Hij knikt. ‘Succes met je presentatie.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten