donderdag 8 mei 2014

Tegenpolen (eerste deel)

Ik heb veel te weinig aan mijn presentatie over het gebruik van Latijn in het Nederlands gedaan. Maar dat geeft niet, want alles wat ik nodig heb, staat op een USB-stick. In de trein zal ik gewoon een rustig plekje opzoeken, misschien de stiltecoupé, en dan lees ik de boel even door. Komt goed.

Helaas is de trein vol en kan ik de stiltecoupé niet vinden. Uiteindelijk, als ik van achteren naar voren ben gelopen, geef ik het op. Aangezien ik geen zin heb om naast Miss Lippenstift te zitten of om gezellig met Ik Zal Je De Hele Reis Stalken Over Mijn Kleinkinderen te keuvelen, loop ik de tweezitbanken voorbij. In een vierzitsbank zijn nog twee lege plaatsen naast elkaar. Die bij het raam is voor mij, die ernaast voor mijn geliefde, felblauwe tas.

Tegenover me zit een vrouw die mijn aandacht trekt. Haar lippenstift is knalrood, haar haren blond en de trekken in haar gelaat hard. Ik zet mijn cappuccino op het tafeltje dat als een grens tussen ons in hangt. Omdat ik haar niet wil aanstaren, maar ik vreemd genoeg ook de neiging niet heb om Rihanna op te zetten, besluit ik dat ik mijn haar ga vlechten. Invlechten, dus plukje voor plukje, omdat dat het langst duurt. Tegen de tijd dat die vlecht klaar is, zijn we vast bij het eerste station en kan ik een betere zitplaats claimen.

De vlecht wordt een drama. Als ik eindelijk opkijk, glimlacht de vrouw naar me.
‘Je moet nog even oefenen,’ zegt ze en ze gebaart naar haar eigen, kortere vlecht.
‘Ach ja,’ zeg ik, ‘in de trein heb je toch niets beters te doen.’
Ze knikt.
Ik haal de vlecht eruit en begin aan iets anders: een vissengraatvlecht. De vrouw volgt mijn bewegingen deze keer aandachtig.
‘Die kan ik niet,’ zegt ze.
Ik haal hem eruit. ‘Het is heel makkelijk. Of nou ja, het idee is heel makkelijk, mij lukt hij negen van de tien keer ook niet.’ Ik laat haar zien hoe je je haar in tweeën verdeelt en steeds een plukje naar de andere kant haalt.

Halverwege de vlecht komt er een oudere man naast me zitten. Ik maak kennis met hem door hem per ongeluk met mijn elleboog te stompen. ‘Sorry,’ zeg ik.
Hij is even stil en zegt dan overdreven  ‘au’. Ik lach.
‘Ik kom uit de gevangenis,’ zegt de vrouw.
‘Wat? Net?’ Ik vlecht bijna verkeerd.
‘Ja, net. Ik heb maar vijf dagen gezeten, hoor.’
‘Wat had je gedaan?’
‘Boetes niet betaald.’ In haar linkerhand heeft ze een sigaret. ‘Ik kan niet wachten tot ik deze trein uit ben en eindelijk mijn vriend weer kan zien.’
‘Dat moet apart zijn,’ zeg ik. ‘Vijf dagen op een vreemde vakantie tussen de criminelen.’
Ze knikt.
‘Ik ben ooit in de gevangenis geweest,’ vertel ik haar, terwijl ik doorga met de vlecht. ‘Een paar jaar geleden moesten we voor school een opstel schrijven over de gevangenis. Of het een hotel was of toch niet. Ik wist niet wat een opstel was, dus had ik maar een verhaal geschreven. Met roze pen. Toen mocht ik mee naar Vught en kreeg ik daar een rondleiding.’
Ze kan goed luisteren. Haar ogen staan geïnteresseerd en de trekken op haar gezicht zijn minder hard geworden. ‘Vanavond is er een programma over de gevangenis op tv,’ zegt ze. ‘En toevallig gaat dat over de gevangenis waar ik heb gezeten.’

De vlecht is af. ‘Volgens mij is het best leerzaam in de gevangenis,’ zeg ik. ‘Al die verschillende mensen met verschillende achtergronden...’
‘Heel aardig zijn de meesten niet, hoor.’
‘En toch denk ik dat zoiets je rijker maakt.’ We kijken elkaar inmiddels recht aan. De man naast me is druk bezig met het corrigeren van zijn kleinkinderen, die aan de andere kant van het gangpad zitten. Niemand luistert. ‘Levenservaring, en zo.’
‘Dan heb ik heel veel levenservaring,’ merkt de vrouw lachend op. ‘Dit was al mijn tiende keer in de bak.’
‘Zat je alle tien de keren voor openstaande boetes?
‘De meeste wel. Al stal ik vroeger wel eens, maar daar ben ik mee gestopt.’
‘De prijs was vast groter dan de opbrengst,’ zeg ik en ze lacht.
‘Inderdaad.’

We zijn bijna bij het station waar ze eruit moet. ‘De gevangenis is anders dan jaren geleden,’ zegt ze, terwijl ze met haar sigaret speelt. ‘Ik mag er niet werken. Je hebt een uurtje recreatie en de rest van de dag zit je in de cel. Vier muren, dat is alles wat ik daar heb.’
‘Waarom betaalde je je boetes dan niet?’
‘Geen geld,’ zegt ze. Ik vraag haar niet hoe ze aan die boetes komt. In plaats daarvan bekijk ik haar gezicht, de harde trekken, de sigaret in haar hand.
De trein stopt.
‘Veel succes vandaag,’ zegt ze, terwijl ze opstaat.
‘Jij ook. En niet alleen vandaag.’
Ze lacht naar me en stapt uit onze vierzitsbank. ‘Je vlecht is mooi geworden.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten