dinsdag 13 mei 2014

Op avontuur

‘Er is post!’ brult mijn moeder. Ze is een paar weken geleden geopereerd en haar gips is er net af, dus strompelt ze door het huis. Onze brievenbus is nogal raar, het is een soort tunnel die van de voorkant van het huis naar de kelder loopt. Meestal zit er alleen regen in.
Maar vandaag is er eindelijk een bericht van de NS. En dikke envelop met een folder over geld dat ik kan terugkrijgen (altijd aardig, aangezien ik gratis reis) en een attentie: een dagkaart zonder bestemming, geldig tot en met de laatste dag van juli. Dat is meer dan netjes.
Mijn broertje wil in juli naar één of andere tentoonstelling aan de andere kant van het land, dus tenzij ik niet goed op het kaartje heb gekeken en er een addertje onder het gras zit, hoeft hij geen dure treinreis te betalen.
‘Bedankt,’ zegt hij als ik hem het goede nieuws vertel.
‘Bedank de NS maar. Over een paar jaar zal je ze vervloeken.’

Ik heb vrij veel vertragingen meegemaakt sinds september. Het toppunt was ‘schapen bij het spoor’, volgens de omroeper, en ik bleek precies bij het goede raampje te zitten. Aan de zijkant van het spoor rende een schaap. Een man met een geel hesje sprintte erachteraan. De trein stond stil, dus kon ik op mijn gemak van het schouwspel genieten. In één beweging dook de man op het beest en greep het vast. Veel effect had het niet. Het schaap wrong zich los, huppelde een paar meter door, draaide zich om en keek op zijn dooie gemak hoe de man overeind krabbelde.


Een ander hoogtepunt was – letterlijk – station Rotterdam. De trein moet via station Rotterdam Blaak, dat onder de grond ligt, omhoog rijden naar Centraal. Helaas stond er nog een trein op ons spoor, waardoor wij halverwege die klim moesten afremmen.
We stonden alleen niet stil.
De trein begon weer naar beneden te glijden.
Ik voelde bijna hoe de machinist razendsnel gas gaf (of hoe dat ook werkt bij treinen) en de hellingproef (of hoe dat ook heet bij treinen) uit probeerde te voeren. Tevergeefs. We reden een stukje naar voren, gleden een stukje naar achteren, reden weer naar voren…
‘Het is net een jong paard,’ zei ik tegen een man die aan de andere kant van het gangpad zat.
Hij knipperde met zijn ogen.
‘Jonge paarden kunnen vaak ook moeilijk stilstaan, dan gaan ze draaien en lopen, of komen ze omhoog,’ verklaarde ik.
‘Nou,’ zei hij, ‘ik denk niet dat deze trein nog omhoog gaat komen.’
De trein bij ons spoor vertrok, dus klommen we een stukje. Vervolgens gleden we terug. Dit ging even door, tot er een stem van bovenaf (de omroeper dus) door de coupé klonk: ‘Dames en heren, zoals u eh… gemerkt hebt, komen wij de tunnel naar station Rotterdam Centraal niet uit. Dit kan nog een uur gaan duren en misschien moeten we de tunnel uitgesleept worden. Er volgt verdere informatie.’
Ik zat toevallig weer voorin, dus kon ik genieten van mensen in leuke pakjes die rond de trein liepen en bekeken wat er allemaal aan de hand was. Als een echte ramptoerist maakte ik foto’s en whatsappte die door naar mijn vrienden en studiegenoten, terwijl ik via Facebook andere mensen op de hoogte (of nou ja, hier op de laagte) hield. Er zat niemand naast me en er was geen relatiemateriaal aanwezig in de coupé, dus ging ik heerlijk onderuitgezakt zitten.
Na een tijdje kwam er iemand van het personeel langs (of misschien werd het omgeroepen, ik weet het niet meer, maar ik heb iemand weer allemaal stomme vragen zitten stellen, dus ik denk dat er iemand langskwam), die uitlegde dat de locomotief twee motoren had. Eentje was kapot.
‘Lekker dan,’ zei iemand.
Maar goed, die motoren trokken allebei kracht, en doordat er eentje stuk was, had de locomotief niet genoeg kracht om de hele trein naar voren te trekken.
‘Dit is mijn grootste angst in de achtbaan,’ merkte een vrouw in de coupé op. ‘Weer achteruitglijden als je omhoog wordt getakeld.’
‘De Python heeft ooit het tegenovergestelde gedaan,’ zei ik.
‘De Python?’
‘In de Efteling. Die was stuk, dus moest het personeel de inzittenden evacueren. Stom genoeg begonnen de medewerkers met de mensen die achterin zaten. De karretjes stonden op een helling, dus op een gegeven moment was er alleen voorin nog gewicht. De karretjes begonnen weer te rijden, vlak voor de afdaling met loopings erachteraan, en de veiligheidsbeugels van de mensen die erin zaten waren al losgemaakt voor de evacuatie.’



De vrouw staarde me met open mond aan.
‘Het is goed afgelopen, hoor,’ zei ik gauw.
Uiteindelijk werd er omgeroepen dat er nog meer stuk was. De machinist besloot om de trein één laatste kans te geven: hij zou achteruitrijden naar station Rotterdam Blaak dan met topsnelheid omhoog crossen in de hoop de helling net te kunnen halen.
Dat werkte. Als een soort kanonskogel bereikten we Rotterdam Centraal – slechts vijftig minuten later dan gepland.


Zo vaak heb ik de NS niet vervloekt. De vertragingen die ik meemaak zijn eigenlijk ook geen vertragingen. Je zou ze beter avonturen kunnen noemen.
En wie wil er nou geen avonturen beleven?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten