vrijdag 25 april 2014

Vonkjes

Mijn vingers vliegen over het toetsenbord, te hard in de coupé.
En toen neukte hij haar helemaal kapot.
De vrouw naast me hapt geschrokken naar adem. Net goed, dan moet ze maar het fatsoen hebben om niet zo ongeveer voor het scherm van mijn laptop te gaan hangen. Af en toe kies ik voor de feministische versie van die zin (‘En toen neukte zij hem helemaal kapot’), soms voor de lesbische (‘En toen neukte zij haar helemaal kapot’), soms voor de homoseksuele (‘En toen neukte hij hem helemaal kapot’), en binnenkort komen daar ongetwijfeld nog creatieve varianten bij.
Ik delete de zin, glimlach vriendelijk naar de vrouw en typ verder zonder een extra paar ogen.

Maanden geleden kwam er een zevenjarig meisje naast me zitten. Het was druk in de coupé en er waren weinig plaatsen vrij. Haar vader zat aan de andere kant van het gangpad. Ze waren samen naar een museum geweest, vertelde het meisje, en haar moeder was zwanger en ze hoopte niet dat ze een broertje kreeg, want een zusje vond ze leuker.
Ze vertelde me over haar hoge IQ, over het stripboek dat ze voor de tweede keer las, over haar favoriete boeken, over Harry Potter en over de Efteling.
Al die tijd gleden haar ogen over mijn laptop.
‘Schrijf jij een boek?’ vroeg ze uiteindelijk.
‘Een verhaal.’
‘Waar gaat het over?’
Ik keek naar de pagina die ze had gelezen. Ze was zeven. Ook al had ze een IQ dat waarschijnlijk hoger was dan dat van de slimste persoon die ik kende, ze zou het niet begrijpen. Dus vertelde ik haar alles wat ik over het verhaal wist.
‘Als het in de winkel ligt, koop ik het,’ zei het meisje.
Twee stations later stapte ze uit. Haar vader keek me aan, zei iets tegen me, dacht dat ik haar iets had gegeven.
Hij realiseerde zich niet dat het andersom was.

‘Ik zie heus wel dat ze tijdens mijn lessen zit te schrijven,’ zei mijn mentor in de eerste klas van de middelbare school bij het kennismakingsgesprek met mijn ouders, ‘maar dan denk ik: laat haar maar.’

In de vierde klas moesten we voor Engels een verhaal schrijven met de titel I know what you did last summer.  Een week na het inleveren kregen we de verhalen terug, met commentaar van de docente eronder. Bij mijn tafel bleef ze staan.
‘Vind je het goed als ik jouw verhaal in de hogere klassen voorlees?’ vroeg ze.

‘Je hebt een mooi verhaal geschreven op je blog,’ zei een docente van de universiteit tegen me. Het was haar college dat ik had gemist doordat er een dood iemand onder mijn trein lag.
‘Ik zou willen dat het niet nodig was geweest,’ antwoordde ik en pas nu ik het uittyp, realiseer ik me hoe stom dat geklonken moet hebben.
‘Je hebt talent. Daar zou je iets mee moeten doen.’ Een pauze. ‘Of doe je dat al?’
‘Ja,’ zei ik. Hoezo ja? Wat deed ik, behalve bloggen (sinds een week) en één keer per jaar aan een wedstrijd meedoen?
De docente knikte. ‘Heb je al iets gepubliceerd?’
Het was de ‘al’ die ik onthield, de verwachting. De zekerheid die hij uitstraalde.

Het zijn momenten, momenten waarop een vreemde mengeling van trots en hoop woorden meteen als waar aanneemt, momenten waarop je jezelf even onoverwinnelijk voelt, momenten waarop je denkt dat mensen voor de verandering eens menen wat ze zeggen, momenten waarop je niet doorhebt dat ze iedereen die een verhaal in redelijk Nederlands kan schrijven hetzelfde zouden vertellen.
Ik houd van ze.
Maar ik houd nog veel meer van momenten zoals dit, momenten waarop ik een fantastisch boek dichtsla, nadat ik de laatste vijftig pagina’s wenste dat ik het nooit uit zou kunnen lezen.
‘Als het in de winkel ligt, koop ik het,’ zei het meisje in de trein.
Momenten waarop ik niet meer geloof in het eerste deel van die zin, momenten waarop ik inzie dat ik niets voorstel, momenten die me de waarheid vertellen: zo goed kan ik nooit leren schrijven, ik zal nooit een schrijver worden.
En toen neukte hij haar helemaal kapot.
Ik typ die zin weer, omdat de ogen van de vrouw verdacht op en neer bewegen.
‘Nooit’ en ‘niets’ zijn niet altijd negatieve woorden, want de werkelijkheid is niet altijd negatief. Hij is beter dan verwachtingen, beter dan de twijfels die bij de complimenten of vonkjes horen. Hij is geruststellend en hij herinnert me aan iets wat ik te vaak vergeet.
Ik ben een lezer. Een schrijver kan ik worden, maar zelfs als dat niet lukt, blijf ik een lezer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten