vrijdag 18 april 2014

Goede Vrijdag - tweede deel over zelfdoding

Het is een dag later. Over een halfuur is het vierentwintig uur geleden dat ik bleek van vermoeidheid uit een bus stapte en naar het huis van mijn ouders liep. Ik heb ze mijn verhaal verteld, tegen mijn vader zelfs twee keer benadrukt hoe goed de communicatie van de NS was, ik heb iets voor de klantenservice ingevuld, en officieel was het na het avondeten klaar. Maar zo werkt het natuurlijk niet.

Een vriendin zei eigenlijk meteen tegen me dat ik gisterenavond mee uit kon gaan. Afleiding is goed. Ik was zo moe dat ik weigerde. Een andere vriendin zei dat ik haar altijd kon bellen, vroeg of ze iets voor me kon doen. Heel lief, aangezien ze zo’n tachtig kilometer bij de plek des onheils vandaan woont. Er waren ook mensen die niets zeiden, of die grappen maakten. Gisteren interesseerde me dat nauwelijks, maar vandaag ben ik er boos om. Vandaag is het anders.

Ik zit op de bank, doodmoe, alsof ik gisteren gesport heb in plaats van gezeten. Mijn hond heeft zich bij me op schoot gepropt, waar ze allang veel te groot voor is, en we zijn een wirwar van haar en poten. Eigenlijk mag ze dat niet, maar ik laat haar. Zij begrijpt dat ik vannacht vier keer wakker ben geworden en de vierde keer in slaap viel met duizend gezichten 
voor me die allemaal van de man konden zijn . Zij begrijpt dat ik wilde dat er vanochtend iemand was die aan me vroeg hoe ik had geslapen. Zij begrijpt dat ik zou willen dat er iemand is die tegen me zegt dat ik inderdaad iets ergs heb meegemaakt. En hoewel ze niet kan praten, vertelt ze me dat allemaal tegelijk.

Ongeveer twee-en-een-half-uur na het geknars kwamen we met een evacuatietrein aan in Breda. Ik wilde alleen maar naar huis. De terugreis zou per bus moeten en zo’n anderhalf-uur gaan duren. Ik had brandstof nodig. Bij de Burger King bestelde ik de grootste cheeseburger die ze hadden. Die zijn daar zonder uitjes, of in elk geval zonder uitjes die ik proef. Terwijl ik de zak aanpakte, drong het beeld van de machinist voor me op. Het was een schim. Ik hoopte dat hij en de conducteurs geen al te groot schuldgevoel hadden, dat ze met de drie toeters en het gevoel van het kauwen op zand konden leren leven.

Tijdens het eten, op een bankje in een bushokje, dacht ik aan hem, aan de man die onder mijn coupé was doodgegaan. Ik vroeg me af wie hij was, waarom hij rond een uur of twaalf op het spoor overreden zou worden, waarom hij in de zon, die zo warm was dat je geen jas hoefde te dragen en tussen de bomen, die vol zaten met bloesem, zo graag dood wilde. Ketchup en mosterd drupten uit mijn broodje. Ik had geen servetjes meegenomen.
‘Mag ik naast jou zitten?’ Een Surinaamse vrouw keek me glimlachend aan.
Ik nam een extra grote hap om mezelf terug in het bushokje te dwingen. ‘Natuurlijk.’
Haar bovenbeen drukte tegen het mijne. Ze vertelde dat ze naar dezelfde bestemming moest als ik, maar dat er een aanrijding met een persoon was en dat er een enorm lange rij voor de vervangende snelbus stond.
‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Ik zat in die trein. Zijn botten zijn onder me vermalen.’

In de bus die we moesten hebben was het druk, maar ik kon zitten, recht achter de buschauffeur. De Surinaamse vrouw zat aan de overkant van het gangpad en glimlachte om de zoveel tijd bemoedigend naar me. Naast me zat een oudere vrouw, strak voor zich uitkijkend. Ik zette Rihanna weer op. De chauffeurs – halverwege wisselden ze – reden voorzichtig en goed, maar bij elke hobbel drukte ik op pauze. Een iets te ruwe rem liet me mijn adem inhouden.
Je zit verdomme in een bus, zei ik tegen mezelf. Stel je niet zo aan.

We reden het bussenterrein van mijn eigen station op. Vanuit mijn raam zag ik een vrouw die zonder na te denken recht voor de rijdende bus overstak. De chauffeur remde, mijn hart leek te bevriezen.
‘Ze had ons niet gezien.’ Die woorden kwamen dwars door Rihanna heen uit mijn mond.
‘Dat komt veel te vaak voor,’ mopperde de chauffeur. ‘Gelukkig had ik haar wel gezien.’
‘Twee op één dag zou ook iets te veel van het goede zijn,’ zei de Surinaamse vrouw en ze lachte.
Tot mijn eigen verbazing lachte ik met haar mee.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten